Koude Oorlog, krantenoorlog (1957)

Stel je voor: aan de ene kant de nogal gereserveerde, steile hoofdredacteur Joop Lücker van de Volkskrant en aan de andere de joviale straatvechter Louis Frequin van De Gelderlander. Ze vlogen elkaar voor het front van de lezers ongeremd in de haren.

Aanleiding was een reeks artikelen die Louis Frequin in augustus 1957, in het midden van de Koude Ooorlog,  schreef over de toestand in het communistische Tsjechoslowakije. Hij was vooral nieuwsgierig naar de houding van de katholieken daar, en speciaal naar een priester die zelfs minister in de communistische regering was geworden.

Twee maanden later pakte een medewerker van de Volkskrant uit met een serie, waarin hij de reeks artikelen in De Gelderlander zo ongeveer schetste als lippendienst aan het onchristelijke regime in Praag. Het was de aftrap van een hooglopende ruzie tussen de hoofdredacteuren van twee katholieke kranten, die voor de publieke tribune een  bitter gevecht leverden.

Riooljournalistiek in de Volkskrant. Cartoon in  De Gelderlander, 9 november 1957.

Hieronder het commentaar dat Louis Frequin schreef, toen duidelijk was dat zijn collega Joop Lücker van de Volkskrant zijn weerwoord niet wilde afdrukken.

Ons antwoord aan De Volkskrant

Zoals we hebben meegedeeld, heeft De Volkskrant zaterdag j.l. een uitvoerig artikel gepubliceerd, waarin de reportages die gedurende de maand augustus in De Gelderlander Pers over Tsjechoslowakije verschenen zijn, op felle manier worden aangevallen. De wijze waarop De Volkskrant ons meer dan twee maanden nadat de reeks in De Gelderlander Pers verschenen was, heeft gemeend te moeten attaqueren – op basis van een reeks leugens, vervalsingen van onze tekst, laster en verdachtmakingen – heeft ons genoodzaakt dit Amsterdamse blad te verzoeken ons in de gelegenheid te stellen, vandaag en op dezelfde plaats als waarop wij werden aangevallen, een verweer van onze kant in De Volkskrant op te nemen.

Het gaat om onze eer en goede naam als katholiek dagblad, dat in De Volkskrant beschuldigd wordt van niet minder dan bewuste misleiding, van vergiftigen van de publieke katholieke opinie, van uitermate grote welwillendheid jegens het communistisch regiem etc.

Het leek ons juist, dat De Volkskrant zelf ons verweer publiceerde, omdat de lezer van De Volkskrant geen controleerbaar materiaal ter beschikking stond tegenover de verschrikkelijke beschuldigingen jegens ons en voorts om de hoofdredactie van dit Amsterdamse blad in de gelegenheid te stellen althans en indirect nog iets te herstellen van wat zij ons op zo’n trieste en infame wijze heeft aangedaan.

Joop Lücker

Hoewel de hoofdredacteur van De Volkskrant ons het recht van antwoord op de beschuldigingen in zijn krant in principe had toegezegd, berichtte hij ons gisteravond, dat hij deze toezegging niet wenste te honoreren, althans niet t.a.v. het stuk, dat wij aan De Volkskrant zonden, gezien de lengte en de toon ervan. De hoofdredacteur van De Volkskrant zegt ons overigens toe, dat de kwestie van de vervalste citaten en verdraaiingen van onze tekst ‘zorgvuldig zal worden gecontroleerd’, alsof hij daar in zijn verantwoordelijkheid als bespeler der publieke opinie vóór de publicatie in De Volkskrant niet op had moeten letten, terwijl hij daar in de afgelopen dagen bovendien nog voldoende tijd voor heeft gehad.

Nu De Volkskrant het door ons gezonden verweer geweigerd heeft, zien wij ons genoodzaakt – mede in verband met het feit, dat zovele lezers van De Gelderlander Pers gevraagd hebben waar onze reactie op de Volkskrant-laster bleef – het stuk, dat wij aan De Volkskrant zonden, thans zèlf te publiceren. Men vindt het op pag. 5 van dit nummer.

Het behoeft wel geen betoog, dat wij ons met zeer grote tegenzin verweren, maar het kan onmogelijk op onze weg liggen zoveel laster zonder meer over ons heen te laten gaan.

Op pagina 5 van De Gelderlander van die dag (9 november 1957) stond het weerwoord van Frequin, over een volledige bladzijde, onder de kop: Zó lastert de Volkskrant.

 

Kerstmis op de Veluwe, 1944

De Frequins huisden vanaf september 1944 tot mei 1945 in het Veluwse dorpje Klarenbeek. Diny was in verwachting van hun vierde kind. Louis Frequin maakte er een kerstverhaal van. De vlucht voor Herodes werd de door de Duitsers bevolen uittocht uit het brandende Arnhem, een gammele fiets vol spullen was de ezel, een gefatsoeneerd margarinekistje de kribbe.

Het vierde kind van Louis en Diny Frequin, een jongen die ze Titus noemden, werd op 3 januari 1945 geboren in een schamel onderkomen bij een geitenstal. Met een beetje dichterlijke vrijheid maakte de schrijver er de kerstnacht van,  en een vuursporen trekkende V 2 werd de ster van Bethlehem.

Een kribbe in Klarenbeek

Door Louis Frequin

 

De vreemde keizer had het bevel gegeven en in onafzienbare rijen trokken ze de stad uit. Hoog boven hun moede hoofden, waarin de gloed van den brand, die hun huizen zo deerlijk gehavend had, nog nagloeide, was het zenuwachtige gieren van aankomende vliegtuigen. Als een ver onweer, dat wijd achter hen hemel en aarde teisterde, klonk het geschut van vriend en vreemde, en in het zicht van hun verlossing was het bevel gekomen: dat ze weg moesten! Weg! Weg uit de oude stad, wier geschiedenis het water van de rivier, die langs zijn hooge huizen stroomde, al sedert eeuwen meegenomen had uit de fluistering der oude kade-boomen; weg van hun bezittingen, schamele en rijke, maar beide dierbaar, oh, zoo dierbaar; weg uit de schaduw van den hoogen, stoeren toren, waar de duur der tijden  zich in de tinnen en transen genesteld had en waaruit op de heele en halve uren van al Gods lieve dagen en nachten de klare klanken van het carillon uit de galmgaten tuimelden, dwars over de oude verweerde daken der binnenstad tot ver in het land rondom de stad.

De pakezel uit het kerstverhaal werd een zwaar beladen fiets.

“Kerstmis op de Veluwe, 1944” verder lezen

Voor altijd ‘de man die achterbleef’

 

In de zomer van 1944 zat Louis Frequin – na zware verhoren bij de Sicherheitsdienst aan de Utrechtseweg in Arnhem – enkele maanden in de Bunkergevangenis van het concentratiekamp in Vught. Eerst alleen in een cel, later samen met een medegevangene, zijn familie gissend naar zijn lot. Zijn geloof hielp hem er door.

Louis Frequin zoals hij in september 1944 uit de Duitse gevangenschap kwam.

Later beschreef hij hoe een aantal lotgenoten in de nacht van vijf op zes juni uit hun cellen werden gehaald en afgevoerd. In de vroege ochtend van D-day, de dag dat de geallieerden op de Normandische kust landden, werden zij in de duinen van Overveen gefusilleerd. Hij zelf was ‘de man die achterbleef’, en dat werd ook de titel van de novelle die hij over deze episode schreef.

De gang van de Bunker was de avond voor het transport gevuld met het gezang van psalmen en gebed. Er was er één die niet geloofde en in zijn wanhoop om Gijs riep, de naam die Frequin daar gebruikte.

Door een klepje in de celdeur met een vinger open te houden, konden ze met elkaar praten, zonder elkaar te kunnen zien.

 

Een bekering in het aangezicht van de dood

Door Louis Frequin

‘Ja, Karel, wat is er jongen?’

‘Ik ben zo bang om te sterven…’

‘Dat zijn we allemaal, Karel. Probeer te bidden.’

‘Ik kan niet bidden… ik wil niet bidden…’

‘Waarom niet Karel?’

‘Ik heb het nooit geleerd, ik heb het nooit willen leren.’

Er viel een kleine stilte. Ik riep om God en dacht aan Saulus voor de poorten van Damascus.

‘Het is niet zo moeilijk, Karel, om te bidden… ook niet om het te leren.’

‘Ik voel mij zo ongelukkig Gijs… jullie bidden en zingen psalmen en ik…’

Hij begon te huilen, Moeder Gods help hem, bad ik; pater Titus help hem.

Ik wil niet sterven, ik wil niet …’ Hij sloeg als een razende met zijn vuisten tegen de celdeur.

“Voor altijd ‘de man die achterbleef’” verder lezen

Met de KLM naar de paus

Foto: collectie Maria de Moor-Oremus.

In juni 1947 opende de KLM een lijndienst op Rome. Voor de gelegenheid mocht een aantal katholieke journalisten mee.  De KLM had zelfs een ontmoeting met paus Pius X I I geregeld. Het gezelschap poseerde voor de vliegtuigtrap. Louis Frequin ontbrak niet, hij staat vijfde van rechts. Links naast hem Frenk Oremus, hoofdredacteur van het Utrechts Katholiek Dagblad, dat voor de oorlog Het Centrum heette en in de jaren vijftig opnieuw onder die titel ging verschijnen. Rechts van Frequin Paul de Waart (KRO). Tweede van links staat Anton van Duinkerken (prof. Willem Asselbergs), en vijfde van links Frequins grote rivaal uit die dagen: Joop Lücker van de Volkskrant. De foto komt ter sprake in een verhaal over de familie van Maria de Moor-Oremus, de dochter van Frenk Oremus. Haar dochter Ingeborg de Moor bereidt samen met Mirjam Hartog een publicatie voor.

Vrienden met een gedeeld verleden


Louis Frequin werd  in september 1940 lid van het fascistische Nationaal Front en hij bleef dat – voor zo ver valt na te gaan – totdat die beweging eind 1941 verboden werd. Hij hield er enkele bijzondere vrienden aan over. Martin Bruyns, de voormalige afdelingsleider van het Front in Arnhem, maakte hij correspondent in Rome. Een andere ‘Fronter’, Henk van Maurik, werd uitgezonden naar het roerige Indië.

Albert Kuyle, ofwel Louis Kuitenbrouwer.
Louis Kuitenbrouwer (Albert Kuyle)

Een derde ‘kameraad’, Louis Kuitenbrouwer (ook wel Albert Kuyle), werd na de oorlog stevig gestraft vanwege zijn pro-Duitse en apert antisemitische artikelen. Frequin nam het voor hem op, in de rechtszaal en in de krant. Kuyle, vond hij, had wel fouten gemaakt. Maar hij was niet fout geweest.

Aan de vooravond van Kerstmis 1949 schreef Frequin op de voorpagina van De Gelderlander een commentaar vol verontwaardiging en mededogen. De antisemitische geschriften van Albert Kuyle deed hij af als ‘wat beroerde stukjes’.

 

KERSTBRIEF VOOR ALBERT KUYLE

Door Louis Frequin

Mijn kinderen zijn zo net naar boven gegaan. Ze hadden hoogrode kleuren, want zij hebben mee mogen helpen de kerstkribbe zetten. De oudste heeft met kaarswas het hoofd van Sint Jozef weer vastgezet en er hielp geen vader of moeder aan of er moesten kaarsjes branden. En met heel het gezin hebben we ‘Er is een roos ontsprongen’ gezongen.

Nu is het stil in de huiskamer. Als het stil is in huis, schrijf ik altijd. Vanavond zal het over Kerstmis moeten gaan. Een hoofdartikel over Kerstmis. Dat verwachten wellicht de lezers. Toch wil het vanavond niet. Het is zo moeilijk dat vredig gebeuren in Bethlehem te beleven in het bewustzijn van de mateloze ellende, haat, afgunst en angst, die als epidemieën onder de volkeren van de wereld gaan. Er zijn zo enorm veel mensen, die niet van goede wille zijn.

“Vrienden met een gedeeld verleden” verder lezen

Een man waar je tegenop keek

Hij was bij ons thuis een man waar je tegenop keek, schrijft Gerrit Wolbrink (1937) over Louis Frequin. Wolbrink kwam in 1953 als jongste bediende bij de Apeldoornse editie van De Gelderlander, die tot dat jaar Veluwe en IJsselbode heette. In 1966 werd Wolbrink chef reclame en promotions op het hoofdkantoor in Nijmegen. Frequin was, vindt Wolbrink, een opvallend mens die voor de krant van onschatbare waarde is geweest.

Door Gerrit Wolbrink

Drie jaar voor de oorlog ben ik in Apeldoorn op de wereld gekomen. In een praktiserend rooms-katholiek gezin. Het geloof en de kerk waren het middelpunt van het leven. De tien procent van de bevolking die katholiek was, klitte aan elkaar.

Bedankje van Frequin aan Wolbrink voor diens bemoeienis met het afscheid, september1977.

De katholieke school, bibliotheek, sportvereniging, toneelclub, padvinderij, zangkoor en vrouwenclub stimuleerden die verbinding met de kerk. Katholieken deden hun inkopen bij de katholieke bakker, slager, kruidenier, kolenboer en lazen ook de katholieke krant: de Veluwe en IJsselbode, die op 12 september 1953 een andere naam kreeg: De Gelderlander, Dagblad voor Apeldoorn en Omgeving. Die krant werd door mijn ouders intensief gelezen en dat nam ik als jonge knaap over.

Het boek KRANTENPAUS kocht ik op zaterdag en dinsdag had ik het uit. De hoofdpersoon Louis Frequin is zo’n jaar of zeventig van mijn leven belangrijk voor mij geweest. Zijn krant, De Gelderlander, hoorde bij mijn ouderlijk gezin. Een vooraanstaande huisgenoot. En Louis Frequin was bij ons thuis een man waar je tegenop keek.

“Een man waar je tegenop keek” verder lezen

De Gelderlander strijkt de vlag – 14 maart 1942

Louis Frequin bewerkte onder zijn pseudoniem Willem de Wael één van zijn Betuwse volksverhalen tot een epos bij het verschijnen van het laatste nummer van De Gelderlander tijdens de bezetting, op 14 maart 1942. 

Later legde hij uit dat hij met het verhaal over het beleg van de Neyenburg had gedoeld op de toenemende druk van de bezetter op de krant. De burchtheer Gerrit van den Neyenburg moest Gelderlander-directeur Gerard Bodewes verbeelden en de dappere soldaat ‘de Fret’ was niemand minder dan waarnemend hoofdredacteur Jos de Fraiture.

De Neyenburg was ooit een versterking aan de Nederrijn, tussen Heteren en Indoornik. Er staat nu een boerderij die zo heet.

 

De heldhaftige ondergang van den Neyenburg

Door Willem de Wael

De heer van den Neyenburg stond in de gothieke omlijsting van zijn hoogen zetel. Het eerste lentelicht viel gulzig door de plechtige kruisvensters, en in de breede lichtplekken op den vloer waren de streepen van het glaslood duidelijk te onderkennen.

Afruk uit De Gelderlander van 14 maart 1942.

Graaf Gerrit van den Neyenburg zag het sekuur, toen hij uit den fraai gebeeldhouwden zetel was opgestaan om het zijne te zeggen tegen het volk van den burcht en dat uit de buurten, hetwelk nu binnen de hooge wallen vertoefde.

Dat volk stond als één man in de groote ridderzaal, waarvan de zoldering met haar groote en breede balkers hoog boven de gehelmde hoofden hing. Ook dát zag Graaf Gerrit van den Neyenburg, zoals hij nu opeens zooveel en nadrukkelijk zag, dat hem anders nooit was opgevallen.

Hij stond opeens met een ruk recht en monsterde zijn mannen: het volk van den Nyenburg, van het Hof en de Boterhof; kaerels uit Heteren en Randwijk, en boeren en boerenvolk, boertig en barssig, maar pràchtvolk uit de binnenpolders en van langs-de-Linge-op.

“De Gelderlander strijkt de vlag – 14 maart 1942” verder lezen

Een overstap was Fahnenflucht

Taferelen uit een journalistenleven

Sante Brun, gepensioneerd journalist te Limburg, werkte in de jaren zestig enige tijd voor De Gelderlander, voordat hij naar het Limburgs Dagblad vertrok. De verschijning van het boek Krantenpaus bracht persoonlijke herinneringen boven aan Louis Frequin, die hij neerschreef in zijn weblog SanteLOGie. Hier een deel van zijn ontboezeming.

Sante Brun.

De eerste keer dat ik Frequin sprak was tijdens een sollicitatiegesprek, dat plaats vond in de vroege zomer van 1959, toen mijn vader besloten had dat studeren aan de universiteit er niet in zat en ik dus een baan moest zoeken. Ik had wel eens gehoord dat een paar jongens van het Canisius College enkele jaren eerder, ik meen tegelijkertijd, begonnen waren als leerling-journalist bij de plaatselijke krant De Gelderlander in Nijmegen en dat herinnerde ik me bij mijn zoektocht naar een baan.

Ik stuurde een sollicitatiebrief waarna ik direct werd opgeroepen en even later tegenover de grote man zat. Hij vond dat ik met mijn cijferlijst van de hbs moest gaan studeren en zei dat hij helaas geen vacature voor me had, waarna ik solliciteerde bij het Noord-Hollands Dagblad in Hoorn, want dat had wel een vacature. Op 1 oktober 1959 ging ik daar welgemoed aan de slag, kort daarna werd ik overgeplaatst naar Leeuwarden waar ik (…) aan de slag ging op de regioredactie van het dagblad Ons Noorden.

“Een overstap was Fahnenflucht” verder lezen

Gastenboek: ruim baan voor de KVP

Tijdens een lange reis door de Verenigde Staten in 1956 maakte Louis Frequin kennis met het daar toen al massale fenomeen van de televisie. Hij zag de potentie, en deed zelf enkele jaren later als presentator van het televisieprogramma Gastenboek zijn eerste televisie-ervaringen op. Het programma was een samenwerking van de Katholieke Volkspartij en de Katholieke Radio Omroep, de gasten vormden een lange optocht van katholieke politici.

Presentator Louis Frequin (rechts) in gesprek met minister Joseph Luns.

Kort voor de Kamerverkiezingen van 1959 maakte Frequin een speciale uitzending waarin zeven KVP-bewindslieden mochten komen vertellen over wat zij in de afgelopen jaren hadden bereikt. Ze kregen allemaal een paar minuten: Jo Cals (onderwijs), Gerard Veldkamp (sociale zaken), Joseph Luns (buitenlandse zaken), Harry Moorman (defensie), Herman Witte (volkshuisvesting), Norbert Schmelzer (binnenlandse zaken) en Marga Klompé (maatschappelijk werk).

Frequin sloot af met een oproep aan de kijkers om toch vooral op Lijst 2 van de KVP te stemmen.

======================================

Hoor eens: ze hebben ’t weer over mij!

Het was een heus boekenfeestje, vrijdagmiddag 24 november, bij Dekker VdVegt in Nijmegen. Onder grote belangstelling hield uitgeverij Valkhof Pers daar de biografie Krantenpaus over Louis Frequin ten doop. Hoogleraar Jos Joosten schetste in een persoonlijke voordracht de betekenis van Frequin en van De Gelderlander in zijn tijd, met veel waardering voor de wijze waarop de persoon en diens tijd in dit boek naar voren komen.

Grote belangstelling bij Dekker Van de Vegt in Nijmegen.

Hélène van Beek haalde persoonlijke herinneringen op, ook aan de tijd vlak na Frequins overlijden in 1998, toen zij zo veel anekdotes over de man hoorde dat zij dacht: daar zit een boek in. En hoe het project vervolgens jarenlang bleef sudderen.

Louis van de Geijn, die het verhaal van Frequin begin 2015 oppakte,  gaf een beeld van de vele gezichten van Frequin. De opwinding die hij geregeld veroorzaakte, en de zakelijke kant daarvan: dat hij liet turven hoe vaak De Gelderlander in andere media werd geciteerd.

 

Als Frequin, zoals zijn roomse-blijheidgeloof dat wilde, vrijdagmiddag vanaf een wolk had toegekeken, zo beeldde Van de Geijn zich in, dan zou hij daarboven hebben  gezegd: ‘Hoor eens: ze hebben ’t weer over mij!’

=======================================