Louis Frequin paste niet in een hokje

 

Hoofdredacteuren heb je in soorten en maten. Journalist en wetenschapper Kees Buijs verdiepte zich in diverse leiderschapstypen en komt tot de conclusie dat Louis Frequin niet onder één etiket is te vangen. Hij was achtereenvolgens, en soms tegelijk, een autoritaire leider, een straatvechter, een natuurlijke manager en een pragmaticus.

De hoofdredacteur bestaat niet

door Kees Buijs

‘De hoofdredacteur bestaat niet’, schreef Leon de Wolff in De krant was koning. Hij wilde ermee zeggen dat er niet één type hoofdredacteur is.

De hoofdredacteur mag dan niet bestaan, ze zijn er wel in soorten en maten. De Wolff – oud-journalist, media-adviseur en marktonderzoeker – onderscheidde vier typen: de monarch, de straatvechter, de jonge hond en de manager.

Laten we zijn types eens doornemen.

Louis Frequin bij het honderdjarig bestaan van De Gelderlander in 1948.

De monarch bemoeit zich amper met zijn redacteuren, onderhoudt bij voorkeur contacten met de politieke en maatschappelijke elite, en wil vooral een keurige krant maken door zoveel mogelijk keurige mensen op sleutelposities neer te zetten, wat in de praktijk gemakkelijk leidt tot een redactionele hofhouding.

De straatvechter is geen diepe denker maar een doener. Hij is de baas en wil dat blijven. De straatvechter heeft geen strategie en verandert telkens van mening onder het motto ’voortschrijdend inzicht’. Hij is goed in verdeel en heers.

De jonge hond begint zijn  hoofdredacteurschap bruisend en sprankelend, is in voor iets nieuws en nooit bang, tot het na een tijdje business as usual wordt. Leiding geven doet hij dan nog weinig, onder het motto dat de redactie bestaat uit creatievelingen waaruit het meest te halen is wanneer je hun de vrijheid geeft.

De manager, door De Wolff getypeerd als het natuurtalent, pakt de problemen op de redactie structureel en projectmatig aan. Hij stelt zich doelen voor de korte en de langere termijn. Hij weet de belangen van zijn redactie goed te verdedigen bij de directie. De manager behandelt iedereen met respect en bewaart het evenwicht tussen gevoel en daadkracht.

Voor De Wolff is de manager de ware hoofdredacteur

Wat valt op in De Wolffs leiderschapstypen?

Het zijn ideaaltypen, soms op het karikaturale af, die je in hun zuivere vorm bij geen enkele hoofdredacteur zult aantreffen. Maar ideaaltypen kunnen wel helpen het gedrag van mensen en organisaties beter te begrijpen.

Wat verder opvalt, is dat De Wolff drie van de vier leiderschapstypen negatief neerzet. Hij laat er geen misverstand over bestaan dat de monarch, de straatvechter en de jonge hond matige tot ronduit slechte hoofdredacteuren zijn, die de redactiecultuur en het redactiebeleid niet ten goede komen. Alleen de van nature getalenteerde manager is de ware hoofdredacteur.

Met dit oordeel creëerde De Wolff trouwens ook zijn eigen marktvraag, want, aldus Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque, ‘journalisten zijn over het algemeen beroerde managers’.

Is De Wolffs typologie toereikend om Louis Frequin postuum in een hokje te plaatsen?

Deels wel, als je af gaat op de etiketten die de auteur van De krant was koning op zijn typen heeft geplakt. In Krantenpaus wordt Frequin het archetype van de patriarchale hoofdredacteur genoemd. Boegbeeld van de krant, die de omgang zocht met de groten der aarde, of op zijn minst met de groten van Nederland. Tot zover de overeenkomst tussen de patriarch en De Wolffs monarch.

Maar de patriarch was bij tijd en wijle ook een straatvechter. Voluit in de aanval wanneer journalistieke en politieke opvattingen van andersdenkenden hem niet zinden, voluit in de verdediging zodra de katholieke zaak, de reputatie van zijn krant of zijn eigen reputatie in het geding was. Hij liet zelden iets over zijn kant gaan.

Frequin: patriarch en straatvechter in één

 Leg je De Wolffs typen van monarch en straatvechter op elkaar, dan krijg je een gedrocht. Maar Frequin wist deze kenmerken in zijn hoofdredacteurschap te verenigen. En dat niet alleen. Hij voldeed ook aan enkele kenmerken die De Wolff toeschreef aan de manager van nature, zoals het bewaren van een zeker evenwicht tussen gevoel en daadkracht en het behartigen van de belangen van zijn redactie bij de directie.

Kortom: Louis Frequin paste niet in één hokje.

Het lag niet alleen aan zijn soms tegengestelde eigenschappen, ook aan de beperkingen van typologieën als die van De Wolff. De leiderschapstypen worden afgeleid uit de persoonlijkheid en de (on)hebbelijkheden van de hoofdredacteur, en houden geen rekening met verhoudingen en ontwikkelingen binnen redacties, uitgeverijen en de samenleving.

Het grootste deel van de Nijmeegse redactie van De Gelderlander in 1948. Vanzelfsprekend in het middelpunt: Louis Frequin.

Het patriarchale type hoofdredacteur paste in een periode waarin verhoudingen op maatschappelijk, politiek en kerkelijk terrein eveneens patriarchale trekken vertoonden. Bisschoppen, partijleiders, hoogleraren en omroepbazen waren in de hoogtijdagen en de nadagen van de verzuiling patriarchen van het zuiverste water. Frequin kon het archetype van de patriarchale hoofdredacteur zijn doordat hij de tijd en het maatschappelijke klimaat jarenlang mee had. In het geloof in het vaderlijke model stond Frequin trouwens niet alleen; het typeerde vrijwel alle hoofdredacteuren van dagbladen die net als hij in 1960 voor Vrij Nederland werden geïnterviewd door Bibeb.

Een andere beperking van typologieën is het verloop van de tijd. Typologieën zijn statisch, momentopnamen; mensen en tijden veranderen. Het geldt zeker voor Frequin, niet alleen omdat zijn hoofdredacteurschap een periode van meer dan dertig jaar omspande, ook omdat het samenviel met grote veranderingen in samenleving, politiek, kerk, cultuur en mentaliteit.

Frequin zag de nieuwe geest al vroeg aankomen

 Frequin zag de nieuwe geest in de journalistieke cultuur al vroeg aankomen, toen hij Bibeb in 1960 antwoord gaf op de vraag welke eigenschappen een moderne hoofdredacteur zou moeten bezitten: ‘Hij moet een goed vakman zijn, een systeem bezitten, met mensen kunnen omgaan (de jongens op de krant noemen me bij m’n voornaam), hij moet rechtvaardig zijn onder alle omstandigheden, en ’t is belangrijk dat hij zelf jong blijft, jong blijft denken.’

Zo kon in de loop van de jaren zestig aan de patriarch, straatvechter en redactioneel belangenbehartiger een typering worden toegevoegd: die van pragmaticus. Frequin zag dat De Gelderlander extern op een breder publiek moest mikken zonder zijn katholieke wortels te verwaarlozen, en dat de hoofdredacteur zich intern tegenover zijn allengs mondiger wordende redactie beter kon presenteren als primus inter pares dan als de autoriteit die geen tegenspraak duldt.

De ontwikkeling die Frequin doormaakte, kunnen we aan de hand van socioloog Max Weber ook duiden als die van op traditie gebaseerd naar rationeel gebaseerd hoofdredactioneel gezag. Tijdens de eerste helft van zijn hoofdredacteurschap was de redactie van De Gelderlander nog klein, waren de contacten tussen hoofdredacteur en zijn redactie rechtstreeks en persoonlijk, en was de zeggenschap van de hoofdredacteur in professionele en morele aangelegenheden nagenoeg onbetwist. Wie het er niet mee eens was, kon vertrekken. Dat wist iedereen.

Traditioneel gezag maakte plaats voor rationeel gezag

 Met de groei van de redactionele organisatie en de groeiende wens van de redactie om haar medezeggenschap te erkennen, werd De Gelderlander een meer op rationaliteit en formele, voor iedereen geldende regels gebaseerde organisatie. Tegelijkertijd begon het in de samenleving te gisten. Niet langer legde de redactie zich neer bij alles wat de hoofdredacteur bedisselde, en zoals de biografie laat zien leidde dit soms tot soms hoog oplopende conflicten.

Aanvankelijk hield Frequin zich staande door het initiatief naar zich toe te trekken. Met een redactiestatuut en een redactieraad nam hij in een vroeg stadium een deel van de onvrede weg zonder dat hij daarmee zijn gezag en zijn bevoegdheden uit handen gaf. De redactie kreeg inspraak, en overigens bleef bijna alles bij het oude. Een verschijnsel dat in de jaren zestig door filosoof Marcuse werd bestempeld als repressieve tolerantie.

In de daaropvolgende jaren nam de roep om medezeggenschap en democratisering op de redactie verder toe. Ook doordat De Gelderlander begin jaren zeventig de Gelderse edities van Het Vrije Volk overnam. Tot de praktisch failliete HVV-boedel behoorde onder meer een stel linkse tot anarchistische journalisten van wie de meesten op de Arnhemse redactie van kopblad De Nieuwe Krant argwaan koesterden jegens alles wat rooms en politiek rechts was, en jegens alles wat uit Nijmegen kwam.

De matigende invloed van een adjunct-hoofdredacteur

 Frequin weigerde toe te geven aan moties, eisen en kritische nota’s die vanuit de deels geradicaliseerde redactie opborrelden. Dat de redactie bijvoorbeeld zich het geestelijk eigendom van de krant toe-eigende, vond de hoofdredacteur een heilloze gedachte. Het liefst was hij er keer op keer fel tegenin gegaan, ware het niet dat van adjunct-hoofdredacteur – en sociaaldemocraat – Adri Laan een matigende invloed uit ging. Binnen de hoofdredactie en tussen hoofdredactie en redactie ontstond een driehoeksverhouding die ook elders in de roerige tweede helft van de jaren zestig en begin jaren zeventig opgeld deed: in de politiek, de universiteit, de rechtspraak en inderdaad, ook in journalistieke organisaties. Een driehoekverhouding tussen gezaghebbers, degenen die het gezag uitdaagden en degenen die open stonden voor vernieuwing en een bemiddelende rol speelden.

De eerste redactieraad van De Gelderlander, 1971. Rechts: Louis Frequin. De man in hemdsmouwen, links op de hoek, is Adri Laan.

De pragmaticus in Frequin won het van de hoofdredacteur die het liefst voor de tegenaanval koos, zij het soms knarsetandend. Tot hij in 1977 besloot ermee te stoppen.

Zo werd hij bij zijn afscheid letterlijk op handen gedragen door redacteuren die hem de voorgaande jaren het hoofdredactionele leven soms zuur hadden gemaakt. Een welhaast pauselijk vertrek dat niet zozeer het resultaat was van repressieve tolerantie of driehoeksoverleg als wel van het familiegevoel en de roomse cultuur die De Gelderlander in de periode-Frequin en nog jaren erna kenmerkten. Aan het eind van de dag was er bier en jenever, en klonk het Nijmeegse volkslied ‘Al mot ik kruupe’.

 

Geraadpleegd:

Pien van  der Hoeven, Het succes van een kwaliteitskrant. De ontstaangeschiedenis van NRC Handelsblad (2012)

Arendo Joustra (samenstelling), Handboek hoofdredacteur. Hoe je het wordt, bent en blijft (2010)

James Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (1995)

Herbert Marcuse, Repressive Tolerance (1965)

Kees Schuyt en Ed Taverne, 1950 – Welvaart in zwart-wit  (2000)

Max Weber, Wirtschaft und Gesellschaft. Grundriss der verstehenden Soziologie (1921; 5e druk 1972)

Leon de Wolff, De krant was koning. Publiekgerichte journalistiek en de toekomst van de media (2005)

Huub Wijfjes en Bas de Jong (redactie), De hoofdredacteur. Over ondernemend leiderschap in de journalistiek  (2011)

Kees Buijs

Dr. C.M. (Kees) Buijs werkte bij Het Vrije Volk in Arnhem toen in 1971 de Gelderse edities van deze krant in handen kwamen van AUDET, o.m. uitgever van De Gelderlander. Bij deze laatste krant was hij o.m. ombudsman, de eerste in deze functie bij een Nederlands dagblad. Buijs was in 1977 als lid van de sollicitatiecommissie nauw betrokken bij de opvolging van hoofdredacteur Louis Frequin. Hij was lid van de Raad voor de Journalistiek en bestuurslid van het Katholiek Instituut voor de Massamedia. Na zijn pensionering promoveerde hij en werd hij docent en onderzoeker in de communicatiewetenschap aan de Radboud Universiteit.

Eén gedachte over “Louis Frequin paste niet in een hokje”

Geef een reactie