Voor altijd ‘de man die achterbleef’

 

In de zomer van 1944 zat Louis Frequin – na zware verhoren bij de Sicherheitsdienst aan de Utrechtseweg in Arnhem – enkele maanden in de Bunkergevangenis van het concentratiekamp in Vught. Eerst alleen in een cel, later samen met een medegevangene, zijn familie gissend naar zijn lot. Zijn geloof hielp hem er door.

Louis Frequin zoals hij in september 1944 uit de Duitse gevangenschap kwam.

Later beschreef hij hoe een aantal lotgenoten in de nacht van vijf op zes juni uit hun cellen werden gehaald en afgevoerd. In de vroege ochtend van D-day, de dag dat de geallieerden op de Normandische kust landden, werden zij in de duinen van Overveen gefusilleerd. Hij zelf was ‘de man die achterbleef’, en dat werd ook de titel van de novelle die hij over deze episode schreef.

De gang van de Bunker was de avond voor het transport gevuld met het gezang van psalmen en gebed. Er was er één die niet geloofde en in zijn wanhoop om Gijs riep, de naam die Frequin daar gebruikte.

Door een klepje in de celdeur met een vinger open te houden, konden ze met elkaar praten, zonder elkaar te kunnen zien.

 

Een bekering in het aangezicht van de dood

Door Louis Frequin

‘Ja, Karel, wat is er jongen?’

‘Ik ben zo bang om te sterven…’

‘Dat zijn we allemaal, Karel. Probeer te bidden.’

‘Ik kan niet bidden… ik wil niet bidden…’

‘Waarom niet Karel?’

‘Ik heb het nooit geleerd, ik heb het nooit willen leren.’

Er viel een kleine stilte. Ik riep om God en dacht aan Saulus voor de poorten van Damascus.

‘Het is niet zo moeilijk, Karel, om te bidden… ook niet om het te leren.’

‘Ik voel mij zo ongelukkig Gijs… jullie bidden en zingen psalmen en ik…’

Hij begon te huilen, Moeder Gods help hem, bad ik; pater Titus help hem.

Ik wil niet sterven, ik wil niet …’ Hij sloeg als een razende met zijn vuisten tegen de celdeur.

‘Blijf kalm Karel’, zei ik.

Hij kalmeerde. Zijn snikken klonken over de gang.

‘Jullie gaan zingend de dood in … Het lijkt wel of jullie naar een feest gaan … en ik … ik moet kreperen als een hond …’

‘Als wij sterven, gaan we ook naar een feest, Karel. Teun heeft het straks zo mooi en juist gezegd: onze dood is het feest der Vervulling. Wij, protestanten en katholieken, geloven in de eeuwigheid. Wij leven om de Hemel te verwerven, om daar ooit eeuwig te glanzen in het heerlijk Aanschijn van God.’

‘Maar ik geloof daar niet in!’ Karel zei het heftig.

‘Toch zul je niet sterven als een dier, Karel. Probeer eens te bidden.’

Hoe zou ik dat moeten doen.’ Hij riep het bijna vertwijfeld uit.

‘Je praat tegen God, zoals je het tegen je eigen vader zou doen … Hij is onze Vader …Die in de hemel is … Karel, jongen.’

Ik weet zeker dat ik tot schreiens toe bewogen was. Ik dacht, goede God, help deze arme stakker, die uw Genade niet ontberen kan. Als ik met mijn leven de hemel voor hem kopen kan, neem het dan Heer! Neem het. Ik schrok. Wat had ik God gepresenteerd?

‘Ik kan het niet, Gijs. Ik mag het niet … ik zou niet waardig zijn … Mijn hele jonge leven heb ik Hem ontkend … erger … ik heb hem vervolgd! Vervolgd!!! Gijs …’

Ik huiver nog van ontroering als ik aan dit nachtelijk gesprek denk. Als ik het iemand zou vertellen, dan zou hij lachen. Hij zal denken: Vic de Wael heeft nog last van celkolder. Die jongens uit de kampen hebben allemaal nog wat last van hallucinaties. Maar bij de levende God, ik zweer het: zó is het gebeurd, woord voor woord, zin voor zin. Ik heb Karel toen de geschiedenis van Saulus verteld, die Christus méér vervolgd had dan hij Karel ooit zou hebben kunnen doen. Maar Saulus werd voor Damascus door Gods licht getroffen. Hij stortte neer en werd de grote Paulus.

‘Hij werd de grote Paulus, Karel!’

Denk je dat jullie God mij nog zal willen aanvaarden als ik vuil en smerig aan de hemelpoort kom?’

‘Jij bent het precies, Karel, op wie God nog wacht.’

‘Maar wat moet ik doen, Gijs … wat moet ik dan doen? …’

Het was een jammerklacht, het was een bede.

‘Ga op je knieën in je cel liggen, Karel’, zei ik, ‘kniel neer en vraag de goede God de genade van het Geloof in Hem en bid om Zijn barmhartigheid. Zeg gewoon: ‘vader in de hemel, hier ligt Karel Verschuur op de stenen van zijn cel. Vader, geef dat ik in U geloven mag … Vader in de hemel, laat mij met de andere jongens binnen in Uw Rijk … ter wille van het kostbaar Bloed van Uw Zoon Christus …’ Meer niet, Karel. Meer niet. Zeg alleen dàt. Probeer te begeren Zijn kind te zijn … God is goed … God is eindeloos barmhartig …’

Ik zal het doen’, antwoordde Karel. ‘Ik wil proberen in jullie God te geloven …

‘God zegene je Karel. Ik zal hier in mijn cel voor jou bidden. Ik zal de voorspraak van de Moeder Gods inroepen … we zullen allemaal voor je bidden …’

Ik drukte mijn hoofd tegen de celdeur. Als het toch waar mocht zijn. Maar we moesten allemaal voor Karel bidden. Allemaal. Natuurlijk had iedereen het gesprek gevolgd. Ze zouden nog aan de deuren staan. Ik riep Teun Wortman. Hij antwoordde onmiddellijk. We moeten voor Karel bidden, zei ik, allemaal. Ja, dat moeten wij, antwoordde Teun. Laat iedereen in zijn cel neerknielen en voor Karel bidden, opdat hij met ons moge ingaan in het Rijk van onze Heiland.

Het gebouw op het terrein van concentratiekamp Vught, dat als de Bunker bekendstond.

De bunker. Wij waren Kriegsverbrecher. Als misdadigers zaten we in cellen met tralies. Maar in deze nacht moet de bunker een klooster geleken hebben, waarin op onze gang cel na cel een man op de plavuizen geknield lag, de handen ten hemel geheven; biddend als monniken. Ik bad tot de Moeder Gods. Ik vroeg Haar, die wij Middelares aller Genaden noemen, de voorspreekster van Karel te willen zijn. De knopen van mijn touw-Rozenkrans gleden langzaam door mijn vingers. Hoe lang ik geknield gelegen heb, weet ik niet meer. Maar opeens was er weer de stem van Karel. Ik hoorde mijn naam roepen.

‘Ja, Karel?’

‘Gijs, ik voel me gelukkig – ik ben er! Ik ben er!’ Het was of er een Alleluja in mij zong.

‘Wat bedoel je Karel?’

‘Oh … ik geloof in God … ik gelóóf … Hij heeft mij willen aannemen … ik heb Zijn stem duidelijk gehoord … O, Gijs toch …’ Het klonk zo onwezenlijk. Ik wist niet wat ik zeggen  moest.

‘Zeg toch eens wat, Gijs. Toe, ik ben zo gelukkig.

‘Heerlijk voor je Karel, heerlijk jongen …’’Ja. Het is zo heerlijk. Het is veel mooier dan toen ik voor het eerst verliefd werd … het is zo anders … Wat is de hemel, Gijs? Ben je daar alleen maar gelukkig?’

‘Alleen maar gelukkig, Karel. Gelukkig, omdat je God ziet.’

De erebegraafplaats in de duinen bij Overveen, waar de medegevangenen van Louis Frequin hun laatste rustplaats vonden.

Bovenstaande is een fragment uit: Louis Frequin, De man die achterbleef, Arnhem, Van Loghum Slaterus, 1955. Frequin ontving voor deze novelle de literatuurprijs van de provincie Gelderland.

Geef een reactie