Ellende tusschen twee rivieren

In mei 1945 keerde Louis Frequin terug van zijn evacuatieadres,  het Veluwse dorp Klarenbeek. Hij stortte zich op grote reportages in het verwoeste Nederland. De verontwaardiging over wat hij zag als verwaarlozing door de autoriteiten stak hij niet onder stoelen of banken. Zoals in een verhaal over de streek die hij als verslaggever voor de oorlog al zo goed had leren kennen. Hij publiceerde er in 1945 een boek over: Tusschen twee rivieren.

THE ISLAND: DE OVERBETUWE WORDT VERGETEN!

door Louis Frequin

Er hangt een lucht van lijken over dit land, waar vroeger het leven in de witte droom van bloesems lachte en de lammeren een wulpsch menuet dansten in het groen der jonge weiden.
Hoe heb ik dit land bezongen: de rustige simpele schoonheid van zijn stille akkers en de statigheid der weidsche stroomen, de fluistering van het geheimzinnige water, dat dit land omzoomt. En hoe heb ik het teruggevonden…. De Betuwe!

Een processie trekt langs de overblijfselen van de Huissense stadskerk. (Uit: Tusschen twee rivieren)

Er liggen kapotgeschoten tanks langs de heerbaan Arnhem-Nijmegen, waar het geallieerd verkeer als een typhoon overheen raast, dag en nacht, en aan welks kanten de dood nog loert tusschen het hooge gras, waar de mijnen als zaaizaad in den bodem liggen te rotten. Waar het stil en uitgestorven is. Waar geen mensch komt kijken.
Dit land is dood. Dit land is gewurgd in zijn meedoogenloos verwoeste boerderijen. Dit land is ontzield door den nazi-haat tegen al wat God een godsdienst heet, want dit land heeft geen kerken meer!! Ze zijn opgeblazen, verwoest, vernietigd! Naakt en eindeloos zijn nu de diepe horizonten van dit droevige, doode land, waar geen kerktoren de lijn der verten meer breekt.

Ja toch! Elst heeft nog zijn Sint Maarten, waarin ooit de klokken met de mooiste klanken der wereld hebben gehangen, maar die nu zijn holle galmgaten stom en hulpeloos in de geblakerde tranzen draagt. En achter den geslagen toren liggen de puinen van deze prachtige kerk binnen haar verbrokkelde muren.
Dit land is ontluisterd. Volmaakt. Totaal. Dagelijks schouwen wij over het versplinterde hart van Nijmegen. Wij hebben het ruïneuze en uitgeplunderde Arnhem gezien. Maar wat wij in de Over-Betuwe aanschouwd hebben, dàt verbijstert! Puin. Pulver. Ruïnes. En overal de schaduw van den dood, die ge achter iedere graspol, achter iedere boom vermoeden kunt.

De ruïne van het kerkje van Haalderen, 1945. (Uit: Tusschen twee rivieren’)

Ge ziet verbrande boerderijen, een kadaver dat met zijn pooten omhoog ligt, een gestrande tank, die aan den slootkant ligt te roesten, en een afgetakelde piano met ’n mishandelde toetsenrij, die aandoet als het gebit van een doodshoofd. Ze staat dwaas voor een kaduke gevel. En ik denk aan een zekere danse macabre…. Verleden week heeft men nog dertig lijken van soldaten in een mijnenveld gevonden.
Hoe is dit land geteisterd onder het geweld van den oorlog, hoe is het verwoest, verwilderd en geruïneerd in een orgie van germaansche bestialiteit. En wat niet vernield is, werd geplunderd. Meedoogenloos.

Is het een wonder dit land zóó aan te treffen? Maandenlang is het frontgebied geweest. Bruggehoofd nog wel. Het heeft onder water gestaan en ergens onder Elden, waar het wemelt van de mijnen, liggen twee lange schepen midden op het bouwland. Ze zijn met den stroom door de dijkcoupure gekomen, die de duitschers begin November vlak bij den spoorbrug onder Driel gemaakt hadden.

Ieder huis was een stelling. En ge ziet onder Elst en Haalderen de relieken van gigantische tankslagen, waarvan wij met spanning in de weermachtsberichten gelezen hebben, en dat nu allemaal verleden is.
The Island, het eiland zooals de Tommies dit land tusschen de twee rivieren noemden, is een der grootste slagvelden van Europa geweest. En men beseft het te weinig. Maar die zijn gang langs de lommer der boomgaarden en de draaiingen der dijken heeft gemaakt, kan het begrijpen.

Lent is er nog vrij goed afgekomen, maar Bemmel is ruïneus. Het oude kerkje is in het dak getroffen, maar de groote Katholieke kerk lijkt wel één ruïne. Spitsloos stompt de toren boven het groen uit en overal gapen open vensters u aan. Camouflageschermen hangen nog verregend en vergaan tusschen de palen en vlak voor Haalderen, het hevig getroffen Haalderen, liggen de oude platgebrande boerderijen, die boerengeslachten eeuwenlang binnen haar muren herbergden.

De godzalige kerk van Valk is door de duitschers opgeblazen en het puin van den stoeren toren ligt voor de half ingestorte gewelven, waarin de kleurige scherven van Joep Nicolas’ ramen het late licht van dezen dag nog vangen.
Gendt is hevig geteisterd. De kerk is onbruikbaar, maar uit de ruïne van één huis steekt tóch de vlag! De kerktoren van Doornenburg is opgeblazen en de molen, die met de jaarlijkse Hulhuizer-omdracht Gods lof tusschen zijn wieken zong, hoog in de wijde lucht, is ineengestort.
Het prachtige kasteel Doornenburg, met zooveel zorg gerestaureerd, is opgeblazen en weggevaagd. Nooit zullen de ridders meer langs de zoldering rennen… Angeren bezit van zijn kerken nog wat holle gewelven en er b loeien bloedroode papavers op zijn landerijen.

De verwoeste stadskerk van Huissen in 1945. (foto uit ´Tusschen twee rivieren´)

En dan Huissen! Geteisterd als geen ander! Ruïnes. Puin. Waar vroeger de gilden hun feesten vierden en de groene guirlandes van raam tot raam in den tocht hingen; waar de generaal zijn vendeliers ‘t ‘hef het vaandel’ commandeerde en de Omdracht langs de kaduke gevels trok met paarden en hoempamuziek, – dat alles is weg, plat, steen, gruis. Ik zie nog de Bijleman op zijn vos door oude straatjes galoppeeren, ik hoor het gesnater der schuttersvrouwen in het teerhuis ‘de Toelast’, dat met zijn waard sneuvelde en nu tegen den grond ligt. Ik hoor en herinner zooveel. Gestalten stijgen uit de puinen en ik zie den veerbaas nog achter zijn potkachel zitten vertellen in het veerhuis aan den Rijn over de barre winters, die dit land in zijn geschiedenis zoo vaak geteisterd hebben. Het veerhuis is er grootendeels niet meer…
De Gouden Engel heeft zijn herinneringen en er is zooveel, zooveel goeds, zooveel edels, dat weg is. Huissen is één ruïne. De oude kerk is weg, de Zandsche kerk is opgeblazen, het protestante Godshuis zwaar beschadigd.

Elden idem. Elst evenzeer, Driel, Valburg, Heteren, Zetten, Hemmen. Ze hebben hun straatgevechten gehad, ze hebben hun ruïnes, ze hebben hun geschiedenis. Zij hebben hun ellende!

Zij hebben hun ellende! Het volk is grootendeels geëvacueerd en het hunkert om terug te kunnen gaan naar de ruïnes, naar zijn geteisterden grond. Maar het kan niet! Want er is geen belangstelling bij de hoogste autoriteiten voor dit verzuurde, uitgemergelde en verwoeste land.

Verwoeste Betuwse boerderij, 1945.
(Uit: ‘Tusschen twee Rivieren’)

Wat zegt hun een eiland? Wat zegt het hun, dat er menschen naar huis willen? Dat er grond ligt met de gewassen van vorig jaar er nog op?! Dat er mijnen langs de wegen loeren; dat er kadavers rotten? Wat gaat het hun aan, dat de grond om bewerking schreeuwt; dat er beesten me gebroken pooten liggen; dat er koeien in de wei leeggemolken zijn; dat er clandestien geslacht wordt voor en door een kleine kliek; dat de geëvacueerde koeien aan haar lot worden overgelaten; dat er geen melkers genoeg zijn en dat men de aanwezige autoriteiten maar laat sappelen zonder dat men zich vanuit de hoogste regionen ook maar voor één cent bekommert over het welhaast meest getroffen gebied van Nederland?

Er is ellende op groote schaal in de Betuwe. En ook dáár moet ingegrepen worden! D boeren moeten aan het werk, maar eerst moeten de mijnen er uit. De stellingen moeten geslecht worden, de behuizingen opgeknapt. En waarom kan dat niet? Waarom moeten de verantwoordelijke autoriteiten nu per se met de haren bij deze streek gesleept worden? Waarom kunnen de N.S.B.-ers hier geen puin ruimen in plaats van ergens renteloos in een kamp te zitten?

Waarom kunnen de SS-ers de mijnen niet liquideeren en waarom moeten daar per se de besten van ons volk voor één tientje per dag aan gewaagd worden?
Er zijn tal van grieven, maar de ergste is dat het de hoogste autoriteiten niet interesseert. Waarom komt men niet eens kijken, waarom zich niet op de hoogte gesteld?

De menschen komen ‘stiekum’ terug. Maar dat is levensgevaarlijk. De Terugkeerraad doet al het mogelijke om evacuée’s weer op hun grond terug te brengen. Maar het kan beter, vlugger en op grooter schaal, mits men maar te hulp kwam met…. N.S.B.-ers, SS-ers en collaborateurs!

Hoe lang moet men hier nog op wachten? Als het zoo doorgaat, is de Betuwe over een jaar nog niet te gebruiken, en dat zou toch wel héél treurig zijn.

(Dit artikel verscheen op 26 mei 1945 in De Gelderlander).

Geef een reactie