De Grebbeberg 16 mei 1940: een werk van barmhartigheid

Op 16 mei 1940 werd Louis Frequin opgetrommeld om op de Grebbeberg de lichamen van gesneuvelde soldaten te helpen bergen. Het verhaal over zijn ervaringen van die dag kon hij in de oorlogsjaren niet slijten. Het verscheen eerst ná de bevrijding in zijn uit de illegaliteit gekomen weekblad Katholiek Kompas.

door Louis Frequin

Vierde pinksterdag: Er wordt gebeld. Ik ben in een hazeslaap. Hetzelfde licht van de 10e mei-nacht welt door de overgordijnen en in de gang. De wekker wijst 5 uur in de morgen.

Identificatie van gesneuvelde militairen. (foto: www.grebbeberg.nl)

Iedereen staat opeens in nachtgewaad op de gang. ‘Ze komen de jongens zeker al halen’, schreit mijn moeder. Vader doet resoluut open. Het is Jan Max. Ik heb het direct aan de stem gehoord. Hij moet míj hebben. ‘Er zijn mensen nodig om de lijken van onze gesneuvelde soldaten op de Grebbeberg te ruimen en te begraven’, zegt Jan Max. ‘Om 6 uur vertrekken we van de Grote Markt.’ Als hij een lichte aarzeling bespeurt, voegt hij er snel aan toe: ‘Het is een werk van barmhartigheid’, en fietst weg.

Op de laadbak van een vrachtauto zijn we met een stel jonge mensen, een kapelaan en een dominee, naar de Grebbeberg gereden. Er lagen rubberlaarzen en grote rubberhandschoenen in de cabine. Onderweg passeerden we eindeloze colonnes Nederlandse krijgsgevangenen, ontluisterd in hun waanzinnige uniformen met harde staande kraag, waarboven de ontzette, witte gezichten met staarogen, brandend van de slaap. Sommigen marcheren met de handen in hun nek. En naast de massa’s veldgrauw de edelgermanen, het machinepistool in de aanslag alsof ze slachtvee opdrijven. Ze gaan naar de Menno van Coehoornkazerne, hoor ik op de hotselende vrachtwagen. We stikken zowat in onze machteloze haatgevoelens en er zijn jongens op de wagen die huilen. Van de Grebbekant komen open auto’s met lachende moffentronies onder de platte officierspetten. Vlak achter Wageningen zie ik de eerste cadavers. Koeien, die met de poten omhoog onder de pas uitgebloeide bomen van een kersenboomgaard liggen. Ik ril. En dan is er opeens de eerste dode. Een soldaat, die voorover in het gras ligt alsof hij in deze mooie koele voorjaarsmorgen onbekommerd sliep. Maar de uiteengereten tuniek bij zijn bebloede schouder laat geen twijfel.

Gesneuvelde militairen worden verzameld. (foto: Grebbeberg.nl)

Als de chauffeur de wagen onder aan de Grebbeberg krakend in de eerste versnelling trekt, heb ik het in een oogopslag al gezien. In de schuttersputten langs de weg liggen ze nog gehurkt. Allemaal slapend, zoals de soldaat in de wei. Soms zonder helm, met een straaltje bloed langs de slapen, soms met die rare helm over hun gezicht gezakt, waarvan een enkele keer het bronzen plaatje met de leeuw verwijderd was, omdat de geruchten wilden dat vijandelijke kogels er niet op afgleden. Maar het fatale kogelgaatje zat altijd elders dan waar eens het leeuwtje had gezeten. Er hing een lucht van lijken over de Grebbeberg, waar het jonge groen van eiken en berken als een wade over het verdriet hing.

Tussen het groen van een boom zie ik een pop in de takken hangen. Maar het is geen pop. Het is een mof, een sluipschutter, een SS-er. Hij moet zichzelf in de boom vastgebonden hebben om vanuit het gebladerte zijn dodelijke schoten trefzeker te kunnen lossen. Maar hij is zelf dood en het is net of zijn machinepistool, dat ergens aan bleef haken, nog heel langzaam in een bengelend gebaar beweegt. Op de berg zijn al graven gemaakt. Lange sleuven in de bebloede bodem en ik zie de dierbare doden al in rijen in de kuilen liggen met open, uitgebluste ogen. Ik moet kokhalzen, ik kan er niets aan doen. Een grijnzende mof staat foto’s te maken. We trekken de laarzen aan en de rubberhandschoenen. We krijgen brancards en beginnen aan de trieste oogst van onze jongens. Je denkt even: voor ons, opdat we verder kunnen leven, opdat we eens vrij zullen zijn. Maar het lijkt hier allemaal zo ridicuul, zo dwaas.

We dragen ze aan. Ze liggen als zaden in het zand. Een mof staat te commanderen. Een andere neemt de doden hun plaatje en bezittingen af, een derde registreert alles; een vierde doet alles in een gele enveloppe. Het is allemaal voorbereid, georganiseerd, het is volgens schema. Gründlich, tüchtlich.

Een Duitse legerpredikant spreekt een zegen uit. (foto: Grebbeberg.nl)

Domine, dona eis requiem… Heer, geef ze de eeuwige rust. De kapelaan zegent de doden, hij bekruist de vertrokken monden, de bebloede gezichten, de stille ongeschonden lichamen, en de dominee strekt zijn handen en bidt mee.

Wij krijgen jenever. Een sigaret. Het vloekt met ons werk, maar je neemt schielijk een tweede. Het is meer dan een werk van barmhartigheid.

De morgen gaat onhoorbaar in de middag over en de zon trekt hoger op aan de hemel.

Wat hebben we misdaan met onze neutraliteit? Je vraagt je gek. We raken verder van de graven. Het wordt moeilijk tussen het kreupelhout. En dan ligt er weer een, dwars over zijn geweer, de helm van het hoofd gerold. En met een schok zie ik hoe de jongen een Rozenkrans in zijn dode handen heeft, die om de kralen gekrampt liggen. Je wilt God tot verantwoording roepen en zijn heilige Moeder, maar je voelt hoe de tranen over je wangen druppen en dan denk je aan een meisje, aan een vader en moeder die op hem wachten. Want mijn jongen is bij 8 RI.

Jenever moet ik hebben! Een kameraad schroeft de dop van de platte fles die we gekregen hebben en ik zuig de alcohol naar binnen alsof ik me in één ruk bedwelmen wil. En het is al tegen de avond als we op de zuidelijke helling van de Grebbeberg naar de laatste doden zoeken.

‘Handen omhoog!’ Intuïtief laten we de brancard vallen en steken de handen omhoog. Ik zie in de verwilderde ogen van twee Nederlandse soldaten, die zwabberend hun geweer op ons richten.

‘Vuile NSB-ers zeker?’, zegt er een, sissend tussen zijn tanden, en hij komt dreigend op ons af.

‘Nee jongens’, zeg ik, ‘neen, het is helemaal anders. We hebben gecapituleerd…de oorlog is voorbij…hier… de Koningin is in Engeland, waar we doorvechten… en…’

‘Je liegt, rotzak’, zegt de soldaat. En dan zakt hij roerloos in elkaar, terwijl de ander uit zijn trillende handen het geweer laat vallen en begint te huilen.

Het waren dappere jongens, die nooit gecapituleerd hebben. Het waren levende doden, die we ook op de brancard naar de top van de berg gebracht hebben, waar de kapelaan en de dominee aan de open groeven troostvolle woorden spraken over de bevrijding der ziel, die zich hier ter wille van het vaderland voltrokken had.

Ik ben ziek thuisgekomen en ben het beeld van die dag nooit meer kwijtgeraakt.

 

 

Geef een reactie