De held Jan van Hoof

De opwinding en de retoriek van de laatste oorlogsdagen klonken nog door in de verhalen die Louis Frequin in de zomer van 1945, teruggekeerd van zijn evacuatie op de Veluwe, voor De Gelderlander schreef. Zoals in het epos over Jan van Hoof, de jongeman die als de redder van de Nijmeegse Waalbrug gold. Nog maar eens een staaltje van Frequins schrijverschap van die tijd, uit De Gelderlander van 7 juli 1945.

 

Een kleine opdracht

Door Louis Frequin

Er stormt een geallieerde gevechtswagen door de stad, de Hezelstraat uit en zijn vaart verstikt opeens in het salvo van een duitsche afweerbatterij, die op de hoek van de Nieuwe Markt staat te vuren. Een tank brandt! Een walm slaat over het plein en in den nevel strompelt een gewonde Nederlander uit de brandende pantser en komt met de handen omhoog, maar met oogen klaar als de dag, op zijn vijanden aan. —Was bist du für ein Ausländer?

 

Jan van Hoof.   

De pistolen dreigen op het hart van den jongen burger, dien zij den helm afslaan en den Oranjeband van de arm rukken. Maar Jan van Hoof zegt: Ik ben een Vrij-Nederlander!

Ik ben een Vrij-Nederlander! Er klinkt een schot en uit het ineenzijgende lichaam van een der dapperste kaerels van Neerlands Binnenlandsche Strijdkrachten ebt het leven langzaam weg in den golfslag der Genade, die hem ongetwijfeld tot voor het aanschijn van den Almachtige heeft gespoeld.

Dat was Dinsdagavond 19 Sept. 1944, toen vrijwel geen mensch nog wist, dat dezelfde jongen, – die nog maar kort tevoren tegen zijn vader had gezegd: zoovele menschen moeten hun leven geven. Wij moeten ’t ook, maar voor U en mij is het de hoofdzaak, dat ik in staat van genade sterf! – de Waalbrug had gered.

Twee dagen had hij tusschen zijn verkoolde vrienden aan den Kronenburgersingel gelegen tot de strijd in de stad was geluwd en de menschen hem konden begraven.

Jan van Hoof! Mijn pen gaat slechts tastend over het papier, nu zij de schikking der woorden neer moet schrijven, die bij geen benadering de ode vertolkt, welke het vaderlandsche hart dezen nobelen, eenvoudigen, maar weergaloos dapperen jongen van Nijmegen gunt en geven wil.

Toen de geallieerde tanks door België braken, is Jan van Hoof bij Jules Janssen gekomen om met hem over het behoud van de brug te spreken. Het plan was tóen niet practisch genoeg en de man der wetenschap, die op dat oogenblik nog onkundig was van Van Hoofs illegale antecedenten, moest afwijzend adviseren.

Dan moet het maar anders! Zei Jan koppig, die op een spottende toespeling van een familielid omtrent zijn brugplannen antwoordde: ‘de Waalbrug, dat is mijn taak. Die red ik!’ Dat was al in Augustus en ir. Jules Janssen heeft niets meer van hem gehoord dan na de bevrijding, toen ze Jans lichaam uit het park opgroeven, nadat degenen, die vanachter de veiligheid der vitrages het drama hadden gadegeslagen, kwamen zeggen dat er twee soldaten en een Nederlandsch burger in het plantsoen begraven waren. In een tuin was de portefeuille van Van Hoof gevonden, welke het Duitsche gajes nageschuimd had en bij gebrek aan dingen van zijn rooversgading, weer had weggesmeten. Maar met hun kogel waren ze te laat! Want vóór het jonge hoofd zich neeg had de moed van dezen dapperen jongen de groote Waalbrug al voor de geallieerden bewaard en was er in luttele uren een prestatie geleverd, die in de geschiedenis van het verzet een unicum mag heeten en waarvan een geallieerd generaal getuigde, dat deze prestatie van een burger den oorlog met eenige maanden had verkort.

De restanten van de pantserwagen waarin Jan van Hoof onderweg was.

Zelfs het geallieerd commando wist aanvankelijk van het behoud van de brug niets af, want toen Maandagavond 18 September op het hoofdkwartier van de BS in het Oranjehuis aan de Molenstraat het dringende verzoek van het geallieerde commando dat op Sionshof zetelde, binnenkwam om toch tot iederen prijs de brug te behouden, had Jan van Hoof al onder moordend granaatvuur de lont van de lading, die aan de lentsche zijde onder de kleine boog was aangebracht, vlak tegen de pijler aan – doorgesneden. De B.S. bezat wapens noch manschappen in een aantal dat een bestorming van de brug, met sterke voorposities van Hunnerpark en Valkhof als bastions, kon verantwoorden. Maar de individuele moed van een jongen had al bereikt, waarover de grooten toen hun hoofd nog braken.

Toen Jan van Hoof bij Jules Janssen met zijn plannen kwam, bleek hij tot in de finesses met de lading en de lontleiding op de hoogte te zijn. Later werd dit nog eens bevestigd door gegevens die de Geheime Dienst Nederland bezat over de plaats der lading. Deze klopten met de verklaringen van den Duitscher, die mede de lading had aangebracht. De lading, die meer dan duizend kilo woog, werd aanvankelijk bewaard in de kazemat aan de Lentsche brugoprit en is mede door den rijksduitscher Schugard aangebracht. Jan van Hoof had zijn taak tot en met bestudeerd, maar geen mensch was het in gedachten gekomen, dat hij zijn plannen ook zou concretiseren.

Toen eenige dagen na de bevrijding een tweetal officieren van de Irene-brigade om inlichtingen kwamen over de wijze, waarop de B.S. de brug had kunnen behouden, moest men het antwoord schuldig blijven en ook Henk, de KP-leider, wist van geen bescheid. Nieuwe verbazing was er, toen ir. Jules Janssen bij een officier ontboden werd die den ‘Partisaan’ wenschte te feliciteeren, die de lont had doorgesneden. Hij was nog onbekend. Maar toen begon inmiddels het gerucht te loopen, dat Jan van Hoof de brug had gered.

Vrijdagmiddag 22 September stond de commandant van de wapenkamer vóór de St. Annastichting toe te zien naar de wapen- en munitieberging, toen hij door de openstaande deur van kamer 10 de broer en zuster van Jan van Hoof zag staan, die beiden zeer ontdaan schenen. Jules Janssen hoorde toen, dat Jan sedert eenige dagen vermist werd en dat men de familie op de hoogte had gebracht van het vermoedelijke feit, dat Jan was omgekomen en begraven lag onder de bomen van het Kronenburger park.

Jules Janssen vroeg plotseling aan Mej. van Hoof: Wat weet u van de brug? Waarop zij onmiddellijk antwoordde: Jan heeft mij gezegd: ‘Op het laatste oogenblik is de lint doorgeknipt.’

Nadien hebben ze Jan opgegraven en geïdentificeerd. Omwonenden wisten te vertellen, dat een geallieerd aalmoezenier nog een kleinen dienst had gedaan, alvorens ze Jan en de beide verbrande soldaten uit den gevechtswagen daar hadden begraven.

Het beeld dat Jac. Maris maakte ter nagedachtenis aan Jan van Hoof, ingemetseld in de Nijmeegse Waalbrug.

Den anderen dag heeft de Geheime Inlichtendienst, waarvan Jan van Hoof zelf deel uit had gemaakt, een rapport opgemaakt, waaruit bleek dat de stad Nijmegen en de brug op Maandag 18 September van 13.30-14.30 uur onder hevig granaatvuur heeft gelegen. Volgens de getuigeverklaringen van den rijksduitscher Schugard, die de lading had aangebracht, is de brug in dien tijd zonder bewaking geweest. Zondag had Jan van Hoof reeds zijn diensten verricht bij het Roode Kruis onder zeer gevaarlijke omstandigheden en wel bij de Thermionfabrieken  in Lent. Maandag was hij afwezig tijdens het spervuur op brug en stad. Door een voltreffer was het huis van de familie Van Hoof vernietigd, maar toen Jan om 15 uur ‘thuis’ kwam en de familie nog levend in een kelder aantrof, reageerde hij verder heel niet op het vernielde huis, maar zei tegen zijn zuster: ‘de brug is in ieder geval safe’, en even later tegen zijn ouders: ‘Goddank, vader en moeder, de brug is gered!’ Dienzelfden avond begon hij er nog eens over tegen zijn zus met de woorden: ‘Mijn taak in Nijmegen is klaar.’ Men vroeg verder geen commentaar, want de Duitschers waren nog in de stad. Maar wie aan het reconstrueeren gaat, huivert bij de gedachte aan de doodsverachting die deze jongen betoond heeft, toen hij tijdens moordend granaatvuur en het gevaar der spiedende duitsche oogen over de geheel brug naar de Lentsche zijde is gekropen om daar bij het wegdek de lonten door te snijden.

Een onmetelijke moed, gepaard aan een minutieuse voorbereiding en oriënteering werd hier geleverd met een vaderlandsch hart vol overgave en bereidheid.

De tegel op het Joris Ivensplein in Nijmegen,die herinnert aan de dramatische dood van Jan van Hoof.

Jan van Hoof meende, dat daarmee zijn taak volbracht en de arbeid voor het vaderland verricht was. Een taak, die begon in de dagen der illegaliteit; die zich kristalliseerde toen hij Zondag 17 September een kaart met belangrijke aanwijzingen van Nijmegen naar Groesbeek bracht, waar de Amerikanen waren geland; een taak die hij met de apotheose van zijn keiharden wil: het vaderland in het moeilijkste te dienen, beëindigd meende te zien. Maar Dinsdagmorgen was hij al weer weg, kwam tegen den middag wat nerveus thuis, omdat hij bezorgd was, dat de geallieerden te laat zouden komen, en verdween dan weer met de boodschap: ‘Ik heb nog een kleine opdracht, niets gevaarlijks! Ik ben om drie uur terug en als het eens avond wordt, moeten jullie niet ongerust zijn.’

Een kleine opdracht. Pantserwagen F 195193 stormt de Hezelstraat af. Jan van Hoof tuurt door de kijkspleet en wijst den weg. Er moet ergens een mitrailleursnest zijn, maar het is afgelost door pantserafweer. Een schot. Een steekvlam. En de walm slaat over het plein.

Een kleine opdracht …. Een fier vaderlander strompelt gewond uit den brandenden pantserwagen. Een snerpend woord, een stomp, een schot, en de kleine opdracht is volbracht met de belooning der eeuwige Aanschouwing….

Dit artikel verscheen in De Gelderlander van 7 juli 1945. Enkele jaren later onderzocht een commissie van hoge militairen de gebeurtenissen die tot het behoud van de Waalbrug hadden geleid. Strikt genomen, was hun conclusie, had Jan van Hoof de brug niet gered, omdat zijn sabotage was ontdekt en de Duitse bevelhebber niettemin had besloten de brug niet op te blazen. De commissie gaf Van Hoof wel ‘de onvergankelijke eer’ dat hij zijn leven had gewaagd om de springladingen van de brug te saboteren.

Geef een reactie