Kerstmis op de Veluwe, 1944

De Frequins huisden vanaf september 1944 tot mei 1945 in het Veluwse dorpje Klarenbeek. Diny was in verwachting van hun vierde kind. Louis Frequin maakte er een kerstverhaal van. De vlucht voor Herodes werd de door de Duitsers bevolen uittocht uit het brandende Arnhem, een gammele fiets vol spullen was de ezel, een gefatsoeneerd margarinekistje de kribbe.

Het vierde kind van Louis en Diny Frequin, een jongen die ze Titus noemden, werd op 3 januari 1945 geboren in een schamel onderkomen bij een geitenstal. Met een beetje dichterlijke vrijheid maakte de schrijver er de kerstnacht van,  en een vuursporen trekkende V 2 werd de ster van Bethlehem.

Een kribbe in Klarenbeek

Door Louis Frequin

 

De vreemde keizer had het bevel gegeven en in onafzienbare rijen trokken ze de stad uit. Hoog boven hun moede hoofden, waarin de gloed van den brand, die hun huizen zo deerlijk gehavend had, nog nagloeide, was het zenuwachtige gieren van aankomende vliegtuigen. Als een ver onweer, dat wijd achter hen hemel en aarde teisterde, klonk het geschut van vriend en vreemde, en in het zicht van hun verlossing was het bevel gekomen: dat ze weg moesten! Weg! Weg uit de oude stad, wier geschiedenis het water van de rivier, die langs zijn hooge huizen stroomde, al sedert eeuwen meegenomen had uit de fluistering der oude kade-boomen; weg van hun bezittingen, schamele en rijke, maar beide dierbaar, oh, zoo dierbaar; weg uit de schaduw van den hoogen, stoeren toren, waar de duur der tijden  zich in de tinnen en transen genesteld had en waaruit op de heele en halve uren van al Gods lieve dagen en nachten de klare klanken van het carillon uit de galmgaten tuimelden, dwars over de oude verweerde daken der binnenstad tot ver in het land rondom de stad.

De pakezel uit het kerstverhaal werd een zwaar beladen fiets.

Nu trokken ze weg in lange rijen, zielloos lange rijen, boordevol van leed om de gebrokenheid der torenschaduw, want achter de vlammenzee der brandende stad stak het silhouet van zijn gebroken spits als een macabere ruïne af; zij trokken weg, vol van leed om de verwachting die niet vervuld werd, maar met diep in hun hart de zekerheid, dat de vervulling zou komen. Over de wegen van het land gaan nu hun gestalten: donker en ineengedrongen. Zij duwen de hoog opgetaste handkarren met de in der haast meegenomen schamele etensvoorraad, wat kleeren en pannen. Jonge krachtige gestalten hebben hun schouders tegen de dokkerende karren, welke hun rateling terugkrijgen van uit de beboschte heuvels, die den langen weg naar het noorden afzoomen.

Alles met wielen werd gebruikt om huisraad, kleding en voedsel mee te nemen.

En tusschen de wagens loopen de anderen, de ouden en de jongen, bepakt en bezakt; moeders achter de volbeladen kinderwagens, waarin men slechts een kind mag vermoeden; vaders met de kinderen op hun gebogen nek, draaiende kinderen, die van dezen uittocht niets begrijpen en zeggen dat zij moe zijn; oude menschen, die hijgend en huilend naar de verren horizon van onbekende bestemming sloffen en die vergeefs in hun geheugen naar verschrikkingen erger dan deze in den duur van hun hooge leeftijd zoeken en die elkander de voorspellingen verhalen , welke deze rampen van oorlog, vernietiging en uittocht voorzegd zouden  hebben.

[…]

*

Daar gingen ook Joseph Jansen, een timmerman, en zijn vrouw Maria. Zij waren mee van de laatsten, omdat de vrouw in verwachting van haar vierde kindje was. Zij was in gezegende staat. Dat had zorg en moeilijkheden gegeven en de drie andere kinderen waren nog zoo klein. Zij gingen de eindeloozen weg van de stad naar de dorpen op het land, waar de regen neerzwiepte en het gaan zoo moeilijk was. Zij hadden hun zorg, deze menschen, zorg vanwege hun kinderen, die moe, nat en hongerig waren. Zij hadden al uren geloopen in de kilheid van den dag en de man had zijn verdriet om de vrouw, die zwaar ging vanwege het kind onder haar hart. Het loopen was moeilijk voor haar, dat zag hij, maar hij kon haar niet helpen, omdat de fiets die hij meetorste, beladen was met kleeren, een paar dekens, en wat hij nog had kunnen grijpen vóór de vreemde soldaten voor hun deur hadden gestaan, omdat zij het bevel van den keizer nog niet hadden opgevolgd.

Joseph Jansen, de timmerman, keek vol zorg naar zijn vrouw. Dan schikte hij zijn bagage wat anders, zoodat Maria nu en dan op de bagagedrager van de fiets kon zitten en dat gaf haar verlichting. Toen zij zoo een eind geloopen hadden, moest de timmerman opeens aan zijn heilige naamgenoot denken, die ook eens zijn vrouw had gereden over de heuvels van een ver en vreemd land. Maar toen waren er nog geen fietsen en geen beschaving, toen gebeurde dat nog op een ezel. En de timmerman bepeinsde dat het toen wellicht ook zulk slecht weer moest zijn geweest, misschien wel sneeuw en ijs! Nu was er alleen maar de regen, die de westenwind hen in de kleeren sloeg en die de kinderen vervelend en hongerig maakte.

[….]

Op de Veluwe vonden soms meerdere huishoudens tijdelijk onderdak in boerenschuren.

Het was kil en guur. Achter de grijsheid van den dag en in het gegier van den wind was het geluid van de vliegmachines verstorven en nu de avond viel was de vrees weg, dat hen ook vanuit de wijdte van Gods lieve hemel nog iets zou kunnen overkomen. Maar de koude klemde zich om de kleine groep, die rond de volbeladen fiets voorttrok, het dorp binnen. Zij gingen de schemer van het dorp binnen, waar men hen niet meer binnenriep, omdat de herbergen en  huizen vol waren en er derhalve geen plaats voor hen was. En dan met kinderen en een vrouw die zwaar ging! Telkens als hij de bepakte gammele fiets tegen een huizenmuur gezet had, klopte en de klink van de deur lichtte, verschenen de onnoozele boerengezichten, die van neen schudden zoodra ze hen gezien hadden. Neen, ze hadden al evacuees; ’t was vol! Ze hadden geen plaats voor hen!

*

De Frequins werden ten langen leste op last van een veldwachter bij een boerderij in Klarenbeek ondergebracht, een dorp onder de rook van Apeldoorn waar ook de ouders van Frequin onderdak hadden gevonden. Het gezin was er niet welkom en de boerin stuurde hen weg toen ze bemerkte dat er een kind op komst was. Ze vonden een onderkomen in een huisje van een boerenknecht, tegen een geitenstal. Vader Joseph sprokkelde hout en scharrelde voedsel en babyspullen bij elkaar. De schrijver vervolgt:

De fietsvelgen ratelden met felheid over de harde winterwegen, toen Joseph sneller dan gewoonlijk op huis aan reed. En het was al diep in de avond, toen hij in het schamele kot aankwam, waar Maria hem opwachtte met wat brood, en koffie, die op het houtvuur stond te pruttelen. De jongens lagen al wijd en breed in het hooi en hij hoorde hier beneden hun ademhaling met het lawaai, dat de sikken aan de anderen kant van den houten muur aan hun kettingen maakten.

[….]

Nadien vertelde hij de wondere ervaringen van den dag. Over menschen uit de stad, die hij gesproken had en die overal te veel werden. Het duurde den menschen uit het dorp te lang en ze waren bang, dat ze in het voorjaar voor zichzelf niets meer te eten hadden. Ja, ze zeiden het wel niet vierkant, maar vaak genoeg onder de tafel door, dat ze opvreters waren, hongerlijders en armoedzaaiers. Dat waren ze ook. Ze hadden geen huis meer, geen kleeren en geen geld. Ze aten het genadebrood van dit dorp. En de boeren die eerst gul wat melk voor de kinderen hadden gegeven, bij wie ze iederen dag wat liters konden halen – al moest het dan dik betaald worden – ze trokken zich terug. Ze karnden ze liever, want door den nood van de vluchtelingen en den honger in het land was de zwarte boterprijs weer gestegen. En aardappelen konden ze wel krijgen als ze maar hun hand het gat trokken om het er voor te ruilen. Ja, zoo waren de menschen in het dorp geworden. Waren zij zelf immers niet uit de boerderij gezet, omdat Maria haar kindje verwachtte? Zeker, er waren ook goede menschen. Maar ge moest ze zoeken onder de armen van dit volk. Onder de daglooners en arbeiders van dit land.

Ze mochten niet klagen. O neen! Ze hadden hun stroo om in te slapen en ’n kamertje tegen het sikkenhok aan, waar de wind door de kieren joeg en opgevangen werd door de warmte van het hout dat hij stiekum uit het bosch had gehaald. Ze hadden het niet kwaad. Op den houten tafel flakkerde de kaars en tegen de kamerwand stond de schaduw van het margarinewiegje zoo schoon afgeteekend.

[….]

*

En er was ook Nachtmis met de Kerstmis. Een Kerstmis zonder Nachtmis wás géén Kerstmis!, zei hij immers altijd, niet Joseph!? Maar hier kunnen we er niet in. Het Kerstkindje komt hier alleen maar voor de bewoners van het dorp, die je Zondags toch al zo onbeschaafd van je plaats konden duwen als de Mis voor de opvreters nog aan de gang was. Dit is mien éige plaots!, zeeën ze dan en zetten hun knieën in je zij. De Pastoor had gelijk. Hij kon zijn parochianen, die toch pacht betaalden, niet van hun plaatsen weren in de Nachtmis. De ‘entree’ voor het bijwonen van de komst van den Verlosser der wereld zat daarin immers verdisconteerd! Waarom zeg je niets Joseph, vroeg Maria. Hij trok met zijn schouders. Het was goed zoo. Het was allemaal goed. Het was allemaal noodig om van God den vrede te verkrijgen en Maria moest er zich maar in schikken.

’t Was waar, thuis hadden ze hun comfort, daar hadden ze geen gebrek. Daar hadden ze meubels, ’n wiegje en prachtige kleeren. Ze waren daar eerzame burgers met plichten én rechten, maar Onze Lieve Heer had nu eenmaal gewild dat ze op hun knieën kwamen te liggen, dat ze armoedzaaiers werden, opvreters en hongerlijders. Bedelaars en erger dan dat! Ze moest maar eens aan den heiligen Joseph en de moeder Gods denken, die net als zij van deur tot deur en van huis tot huis waren gegaan om een plaats te zoeken voor zichzelf en het Goddelijk Kind, dat geboren moest worden. Die raakten in een koude stal en zij hadden tenminste nog een houten kamer met dennen en berkenstammen, die St. Joseph misschien niet eens had durven pikken om wat te stoken voor de Moeder Gods. ‘t Kindje Jezus had niet eens een bedje, hún kindje wel, al was het dan een gecamoufleerd margarinekistje.

[….]

*

Zoo was het dan Kerstavond geworden. De wind rumoerde om het huis, toen Maria de kinderen tussen twee weeën door naar de vliering had gebracht. Ze hadden nog een Kerstliedje achter hun avondgebed aan gezongen en de eenvoudige melodie klonk de moeder nog in haar ooren. Kerstavond. En nu was het zo ver! Joseph had zijn verdriet gehad omdat er geen plaats voor hem was in de Nachtmis, maar hij had nu tóch niet kunnen gaan, want vannacht zou het er wel van komen. Zij had er hare vreugde om, die Maria Jansen, het zou immers zo’n schone bekroning van al hun leed zijn om tegelijk met de Moeder Gods een kind ter wereld te brengen, ver van huis en in ballingschap. O zeker, het was verdrietig, dat het zoo armoedig en helemaal niet zoals zij gewend waren, moest gebeuren. Maar had het Kindje Jezus, dat toch als Verlosser ter wereld kwam, ook om die weelde gevraagd?

Zij hield zich aan de tafel vast om de pijn die het kind haar bezorgde te verwerken. Gaan liggen kon ze niet vanwege de kinderen en Joseph was naar het dorp om de juffrouw te waarschuwen. Ze was blij toen ze het lawaai van zijn fiets in de bevroren sneeuw hoorde. Dat gaf haar rust. Hij had zijn zorg, die Joseph. Hij kuste haar en vroeg hoe het was. En de juffrouw zou over een goed uur wel komen. Het had nog even de tijd. En intussen spreidde hij het stroo in de kamer, waarop zij kon gaan liggen als het er van komen ging. Hij deed van het gestolen hout in de kachel om warmte en legde stroo in het kribbewiegje, waarin het kindje zou moeten liggen. Hij had zijn werk en zijn aandacht. Hij steunde Maria, wanneer het haar te machtig werd en bad om bijstand tot de Moeder Gods.

Soms was het of hij boven het gekreun van zijn vrouw de Kerstklokken hoorde luiden, maar dat kon niet, want er waren toen immers geen klokken meer. Toen de pendule in het woonhuis van den landman twaalf slagen had gegeven, zei Joseph tot zijn vrouw, dat het nu Kerstnacht was. Kerstmis! Zij knikte, zij had het te kwaad. Zij was in verwachting van haar kind en het werd tijd dat de juffrouw kwam. Joseph schikte hier en daar wat aan hun armoe recht en voelde of het water op de kachel al warm werd. Kerstnacht op den vreemde. Kerstnacht in ballingschap. Kerstnacht voor een armoedzaaier en opvreter, waartegen ze ook wel evacué zeiden. Maar het deerde niet. Vannacht werd het Goddelijk Kind geboren en meer dan ooit zou hij bidden om vrede en vrijheid, om vervulling der verwachting, die nog altijd verwachting was. Hij was opgelucht toen de juffrouw kwam. Een half uur later was het kind er al.

Ja, het was er! In den Kerstnacht. De juffrouw had het met de kleertjes van de ‘bedeeling’ aangekleed en nu lag het vriendelijk in het zelfgemaakte wiegje. Of eigenlijk was het maar een kribje. Joseph Jansen duwde het nog uitstekende stroo wat steels onder de dekentjes, toen de juffrouw Maria aan het helpen was en zij zijn gênant gezicht niet kon zien. Wat een lief en schoon manneke! En nu was het Kerstnacht! Hij zag de gelukkige lach van zijn Maria, de plooien om haar mondhoeken waarin een traan van geluk van rolde. Hij hoorde het snuiven en bonken der sikken achter de houten muur, hij vernam opeens het geschrei van hun vierde kind in dezen Kerstnacht. Feest der Verlossing en bevrijding. Hoe heel anders waren zijn verwachtingen vervuld geworden. Morgen als het kind gedoopt was, zou het Kind Gods nog meer uit zijn klare oogjes stralen, maar nu was het al een wonder van geluk.

Halt, de jongens in het stroo hadden het geschrei op hun vliering gehoord. Zij waren er wakker van geworden. De oudste stak zijn hoofd door het zoldergat en vroeg of het Kerstkindje er al was! Ja, het was er! En een echt nog wel! Joseph Jansen had er zijn plezier in. En opeens hoorde hij zijn jongens zingen, hoog in het stroo.

En zij knielden rond het wiege-kribje neer!

Toen moest Moeder Maria het kindje vasthouden en Joseph ging er bij staan. Ja, ’t was een écht Kerstkindje, zóó uit den hemel! Maria schreide van geluk. ’t Was of de hemelen openvielen en de engelen met honderden om haar stroo-bed stonden te zingen en Gloria en vrede aan de menschen van goeden wil. Joseph hoorde het orgel, met alle registers open, het Kyrië van de Nachtmis begeleiden en het was of er duizenden stemmen in de schamele kamer zongen. En toch waren het zijn jongens alleen maar.

Kerstnacht! Ja, het was Kerstnacht, op den vreede en in ballingschap met een kribje en wat stroo. De landarbeider met zijn vrouw en hun kinderen kwamen kijken en zij hadden wat brood, echt wittebrood meegebracht, zoo maar in den nacht. Zoo zijn de armen van geest. En de jongens moesten nog eens zingen. Toen knielden ze allemaal neer en baden tot het Goddelijk Kind, dat het hun kindje mede mocht verlossen en hen allemaal. Dat het vrede mocht zijn en dat ze terug mochten keeren naar hun stad aan de groote trotsche rivier. Kerstnacht!!

De Frequins in 1946. Staand bij zijn vader: Titus.

Toen de jongens moegekeken en gezongen met groote oogen en gloeiende wangen weer in hun stroo gekropen waren, toen de juffrouw en de landarbeider met zijn vrouw en kinderen vertrokken waren en een V 2 als een vurige komeet langs den donkeren hemel zijn baan trok, legde hij het kindje weer in het bedje. Toen neeg Joseph zijn hoofd op het hart van zijn vrouw, en dankte haar voor dit kind, Gods zegen op het leed van hun ballingschap en van hun groot verdriet en verlangen. Laten wij Hem danken voor dit geschenk, Zei hij, en bidden dat we gauw naar huis mogen keeren, naar ons Nazareth. En dat het vrede zij!, antwoordde ze moe. Vrede voor alle mensen op aarde.

Me fecit, 23 Dec. 1944, in ballingschap.

 

Dit is een ingekorte versie van het kerstverhaal dat Louis Frequin aan de vooravond van Kerstmis 1944 schreef. Met dank aan Titus Frequin, uit wiens archief ik mocht putten. LvdG

Geef een reactie