Van mandement tot mankement

Nog in 1954 hielden de Nederlandse bisschoppen de katholieken voor dat zij weg moesten blijven van ‘onchristelijke stromingen’. Daartoe rekenden zij zowel het liberalisme als het socialisme. Het lidmaatschap van de socialistische vakbond NVV was ‘ongeoorloofd’. Datzelfde gold voor het regelmatig luisteren naar de VARA-radio of het lezen van de socialistische pers. In het verlengde daarvan wezen de bisschoppen een lidmaatschap van de PvdA af.

Voordat ze deze boodschap (het Mandement) zondag 30 mei 1954 op de preekstoel lieten voorlezen, bestelde de fungerende aartsbisschop Bernard Alfrink de katholieke hoofdredacteuren in Utrecht om hen te vertellen hoe zij dit verhaal moesten duiden. Dat deden ze gedwee – voor die tijd met grote vanzelfsprekendheid. Ook Louis Frequin liet de volgende maandag een instemmend commentaar verschijnen. Niet dan nadat hij de bisschoppelijke censor prof. Karel Bellon advies had gevraagd. Hieronder een deel van dit uitvoerige betoog, dat in de oorspronkelijke lengte bijna vier krantenkolommen besloeg.

Ernstig vermaan om de eenheid te bewaren

In verband met de taak van de katholiek en de gezamenlijke katholieken op sociaal terrein wordt ernstige aandacht gewijd en gevraagd voor de politieke eenheid van de katholieken, omdat deze een noodzakelijke factor is om de sociale opdracht van de pauselijke encyclieken te kunnen realiseren. De staatkundige eenheid van de katholieken wordt uitdrukkelijk gevraagd, ook wanneer dit persoonlijke offers kost.

Het heeft de Bisschoppen diep verontrust, dat men hun stem ‘op zo waardige wijze en op zo indrukwekkend moment geuit’ hier en daar niet goed verstaan heeft. Zij blijven dan ook ‘in het belang van ons volk, vermanen – gelijk zij dat bij monde van de Kardinaal-Aartsbisschop reeds deden op het moment van de viering van het herstel der hiërarchie – : ‘Blijf één!’ Zij vorderen eenheid, ook op andere terreinen van het openbare leven.

Wij hebben aan deze uitdrukkelijke wens van de Bisschoppen nooit getwijfeld, en met moet het toch min of meer als pijnlijk beschouwen, dat het episcopaat ’n geluid van teleurstelling heeft moeten laten hopen. Dat de oproep van de Kardinaal ‘hier en daar niet goed verstaan’ werd. Wij kunnen ons trouwens voorstellen, dat het Episcopaat eindelijk wel eens bevrijd zou willen worden van de onaangename last die gelegen is in de bij velen bestaande verwachting dat het Episcopaat voor iedere verkiezing moet spreken. Wanneer het Episcopaat spreekt, wordt het van bepaalde zijde beschuldigd van ongeoorloofde gewetensdwang, van niet toelaatbare vermenging van godsdienst en politiek. En wanneer het Episcopaat niet spreekt, zal men daar van diezelfde zijde daar politieke munt uit slaan en aan de goegemeente wijs maken, dat men dus met een gerust geweten dit of dat mag doen, omdat het niet door de bisschoppen verboden is.

De Nederlandse Bisschoppen hebben er, zo dunkt ons, nooit twijfel over laten bestaan wat zij in politicis bedoelen en wensen. Wanneer zij dat niet uitdrukkelijk herroepen, zou men geredelijk mogen aannemen, dat zij daarbij persisteren. Het moest dan niet nodig zij, dat de bisschoppen bij iedere verkiezing hun stem verheffen. Het moest eindelijk zo ver kunnen komen, dat ons katholieke volk en onze katholieke kiezers ook zonder afzonderlijk voor een bepaalde verkiezing gesproken woord, weten wat de bedoeling van de bisschoppen is. In dit verband is het bijzonder gelukkig, dat de laatste verkiezingen – met alle manco’s die er aan verbonden waren – een dergelijk gunstig beeld vertoond hebben zonder dat de bisschoppen ad hoc hun stem hebben laten horen. Maar nu zij in dit Mandement nog eens uitdrukkelijk vermaand hebben ook in het staatkundig streven één te zijn en te blijven, kan iedere verdere twijfel aan of andere uitleg van hun bedoeling achterwege blijven. De duidelijkheid van het bisschoppelijk vermaan op dit punt is evident!

Onchristelijke stromingen worden afgewezen

Het socialisme werd in de eerste naoorlogse jaren voorgesteld als de baarlijke duivel, hoewel de katholieken en de socialisten jarenlang samenwerkten in de landsregering.

Het derde en laatste deel van het Mandement spreekt van de onchristelijke stromingen, die het doorvoeren van een christelijke geest in het publieke maatschappelijke leven in de weg staan en die daarom voor de katholieken geen begaanbaar terrein geacht kunnen worden, terwijl zij bovendien gewoonlijk hun persoonlijk leven en levensopvattingen op nadelige wijze beïnvloeden. In dit verband wordt gewezen op het Liberalisme: ‘Katholicisme en Liberalisme in zijn huidige vorm blijven (daarom) onverenigbaar; op het Humanisme: ‘wij waarschuwen tegen elke onzekere houding ten aanzien van bedoeld Humanisme zonder God. Wel hebben wij begrip voor mensen zonder geloof, die in goede trouw enig licht zoeken in de duisternis van het ongeloof; wij kunnen waardering hebben voor een eerlijk pogen om ongelovige mensen begrip voor natuurlijke normen en waarden bij te brengen. Wij maken er echter bezwaar tegen, dat een Humanistisch Verbond, dat God verwerpt en zonder God een maatschappij wil opbouwen, voor zichzelf een bevoorrechte positie zou trachten te verwerven voor de verzorging van buiten- en onkerkelijken, voor wie allereerst de Kerk haar roeping en zending te vervullen heeft. Wij moeten bezwaar maken tegen iedere gelijkstelling, in rechte of in feite, van de godsdienste verzorging door de Kerk en de verzorging door het Humanistisch Verbond. En met elke prijs moet vermeden worde, dat de Staat de schijn op zich zou laden om feitelijke godloze verzorging te stimuleren.’; de Bisschoppen wijzen voorts op de Bond voor sexuele hervorming, die de christelijke moraal tracht te doorbreken, welke onherroepelijk tot een geleidelijke en totale afbraak zou leiden; en het N.V.V. [Nederlands Verbond van Vakverenigingen, red.] en socialistische verenigingen. Het socialisme in ons land staat nog ver af van het Christendom, zeggen de Bisschoppen. Het streven der socialisten blijft ook geheel in de sfeer van het tijdelijke gelegen. Aansluiting bij het N.V.V. en andere socialistische verenigingen brengt voor grote groepen arbeiders ernstige gevaren mee voor het behoud van hun godsdienstzin en voor het christelijke karakter van onze samenleving. Het blijft daarom voor een katholiek ongeoorloofd lid van socialistische verenigingen te zij, zoals het N.V.V. en de daarbij aan gesloten verenigingen, of regelmatig de socialistische pers te lezen of regelmatig de VARA te beluisteren. Die zich hieraan niet stoort, moeten de Sacramenten worden geweigerd, en als hij zonder bekering sterft, ook de katholieke begrafenis. Dat het Nederlandse socialisme hiermee duidelijk veroordeeld is, laat geen twijfel. Voor het Communisme en de EVC [Eenheids Vakcentrale, de toenmalige communistische vakbond, LvdG] blijven de vroegere verklaringen van kracht: ‘wie de materialistische en anti-christelijke beginselen der communisten zou belijden en vooral wie deze zou verdedigen of verspreiden, moet volgens de H. Vader als afvallig worden beschouwd van het katholieke geloof eb getroffen door de kerkelijke ban.’

Lidmaatschap van de P.v.d.A. afgewezen

De katholieken mochten niet met ´anderen´ spelen.

Ook ten aanzien van het lidmaatschap van de P.v.d.A., die onder het hoofdstuk ‘onchristelijke stromingen’ behandeld wordt, wordt in het Mandement openhartige taal gesproken, die niet voor misverstaan of tweeërlei uitleg vatbaar is. Ten aanzien van het lidmaatschap van de P.v.d.A. wordt zeer duidelijk en expliciet een afwijzende houding aangenomen. De bisschoppen hebben echter geen sanctie-maatregelen willen treffen, ‘enerzijds omdat het hier een betrekkelijk kleine groep betreft, die bovendien ook zonder sancties duidelijk kan weten wat de Bisschoppen bedoelen, en anderzijds uit een bijzondere reserve, die zij willen in acht nemen tegen het gebruik van de politieke vrijheid, en uit grote bezorgdheid voor het zieleheil van hen, die tot nog toe aan ons bisschoppelijk vermaan geen gehoor hebben gegeven, en van wie wij hopen dat zij thans ons woord zullen willen verstaan. Wij vertrouwen, dat het voor iedereen duidelijk zal zijn wat de Bisschoppen bedoelen en wat wij vragen.’

Met deze opmerkingen uit het Mandement is bij velen een einde gemaakt aan een zekere twijfel, die hier en daar bestond over de geoorloofdheid van het lidmaatschap van de P.v.d.A. Het Episcopaat merkt te dien aanzien echter op, dat ‘door sommigen verkeerde conclusies getrokken zijn uit het feit. Dat wij het lidmaatschap nooit ongeoorloofd hebben verklaard. In het licht van Onze algemene houding en van het belang dat wij hechten aan de eenheid der katholieken moet het voor eenieder duidelijk zijn, dat de Kerkelijke Overheid ook op dit punt geenszins zonder bezorgdheid leeft.’

‘Het Episcopaat stelt vast:

Ten eerste, dat een doorbraak naar de P.v.d.A. een even grote afbraak is van de eigen katholieke partij.

Ten tweede, dat de gevolgen van zulk een doorbraak niet te overzien zijn, ook en niet het minst ten aanzien van de verwezenlijking van een katholiek sociaal programma, waarvan toch zo ontzaglijk veel afhangt. Dit geldt te meer, daar de doorbraak niet beperkt zal blijven tot de politieke partij, maar ongetwijfeld zal doorwerken naar de socialistische vakbeweging, de pers en andere terreinen van het openbare leven.

Ten derde, dat deze Partij generlei basis of garantie biedt voor echte christelijke politiek.

Ten vierde, dat het lidmaatschap van de katholieken in deze Partij ernstige verantwoordelijkheid met zich brengt, ook wegens de steun, welke deze Partij direct en indirect geeft aan onchristelijke stromingen.

Dierbare gelovigen, welke subjectief goede bedoelingen enkele katholieken ook mogen hebben bewogen om aan de z.g. doorbraak mee te doen, uw Bisschoppen zijn van mening dat dit niet de weg is om de maatschappij in christelijke geest op te bouwen en de door Paus Pius X I zo noodzakelijk geachte hervorming der orden door te voeren. Zij menen, dat het onverantwoord is deze weg te gaan.’

Tot zo ver de verklaring. Wij weten dat de kleine groep van katholieken die actief deelneemt aan de doorbraak van de P.v.d.A., voor het overgrote deel gedreven wordt door idealisme en subjectief goede bedoelingen. Nu de Bisschoppen gesproken hebben, hopen wij dat de volgzaamheid van deze kleine groep groot genoeg zal zijn. Wanneer deze doorbraak-katholieken het Mandement bestudeerd zullen hebben, en met name het eerste deel, waar de theologische basis van heel dit document ligt, dan zal het niet moeilijk zijn de practische richtlijnen te accepteren, die de Bisschoppen er uit trekken en ons voorhouden. Wij zullen vandaag voorbijgaan aan de onwezenlijke, en zelfs inferieure conclusies, die een mr. Burger gisteren reeds op het VARA-zomerfeest ten beste gaf over het Mandement van het Nederlands Episcopaat. Het lijkt ons thans meer op zijn plaats de katholieken in de P.v.d.A. rust te gunnen om zich te bezinnen op het Bisschoppelijk woord, opdat zij het in vrede des harten zullen verstaan.

Tot zo ver dit commentaar in De Gelderlander van 31 mei 1954. De publicatie van het Mandement leidde tot grote onrust in het land, vooral ook onder katholieken die voor het socialisme hadden gekozen. De ‘doorbraak’ van katholieken naar andere stromingen werd er niet door gestuit. Enkele jaren later verloor de verzuiling veel van haar betekenis. Louis Frequin sprak toen gekscherend van ‘het mankement’. De doorbraak van zijn krant werd bezegeld in 1971, toen de Gelderse edities van het socialistische Vrije Volk in handen kwamen van de katholieke uitgeverij AUDET waartoe Frequins krant behoorde. Dat betekende niet dat bij De Gelderlander de geur van wierook onmiddellijk vervloog.

Geef een reactie