Vrienden met een gedeeld verleden


Louis Frequin werd  in september 1940 lid van het fascistische Nationaal Front en hij bleef dat – voor zo ver valt na te gaan – totdat die beweging eind 1941 verboden werd. Hij hield er enkele bijzondere vrienden aan over. Martin Bruyns, de voormalige afdelingsleider van het Front in Arnhem, maakte hij correspondent in Rome. Een andere ‘Fronter’, Henk van Maurik, werd uitgezonden naar het roerige Indië.

Albert Kuyle, ofwel Louis Kuitenbrouwer.
Louis Kuitenbrouwer (Albert Kuyle)

Een derde ‘kameraad’, Louis Kuitenbrouwer (ook wel Albert Kuyle), werd na de oorlog stevig gestraft vanwege zijn pro-Duitse en apert antisemitische artikelen. Frequin nam het voor hem op, in de rechtszaal en in de krant. Kuyle, vond hij, had wel fouten gemaakt. Maar hij was niet fout geweest.

Aan de vooravond van Kerstmis 1949 schreef Frequin op de voorpagina van De Gelderlander een commentaar vol verontwaardiging en mededogen. De antisemitische geschriften van Albert Kuyle deed hij af als ‘wat beroerde stukjes’.

 

KERSTBRIEF VOOR ALBERT KUYLE

Door Louis Frequin

Mijn kinderen zijn zo net naar boven gegaan. Ze hadden hoogrode kleuren, want zij hebben mee mogen helpen de kerstkribbe zetten. De oudste heeft met kaarswas het hoofd van Sint Jozef weer vastgezet en er hielp geen vader of moeder aan of er moesten kaarsjes branden. En met heel het gezin hebben we ‘Er is een roos ontsprongen’ gezongen.

Nu is het stil in de huiskamer. Als het stil is in huis, schrijf ik altijd. Vanavond zal het over Kerstmis moeten gaan. Een hoofdartikel over Kerstmis. Dat verwachten wellicht de lezers. Toch wil het vanavond niet. Het is zo moeilijk dat vredig gebeuren in Bethlehem te beleven in het bewustzijn van de mateloze ellende, haat, afgunst en angst, die als epidemieën onder de volkeren van de wereld gaan. Er zijn zo enorm veel mensen, die niet van goede wille zijn.

Telkens als ik mij wil bezinnen op de goedheid en liefde, die het Goddelijk Kind toch heeft willen brengen, trekken de krantenkoppen als schermen voor mijn gedachten en niet minder de herinnering aan zo veel drama’s, die de mensen elkaar in een satanisch sadisme en in welgekozen berekening bezorgen.

Van de week stond ik nog ergens in Midden Duitsland aan de Russische zônegrens en zag er de verluisde en verkommerde krijgsgevangenen naar de Heimat terugkeren. Sommigen waren al bijna acht jaar van huis geweest. Er waren ook meisjes bij, halve kerels bijna, die door de Russen naar de Oeral waren versleept, waar ze als beesten hebben moeten werken in steengroeven en kolenmijnen. De meesten waren onteerd.

Er waren ook kinderen bij, als vuil van de straat geveegd, die hun ontvoerde of verjaagde ouders kwijt waren geraakt. Ze kenden alleen nog hun voornaam. Je moet er niet aan denken, dat je als vader of moeder een kind zoek weet. Wat moeten deze mensen voor een Kerstmis meemaken?

En die vrouwen en kinderen, die nu al jaren op hun man of vader zitten te wachten. Ook in ons land. Hoe veel vrouwen zullen, hier blijvend, vergeefs op hun man wachten, en met de kinderen eenzaam om de kribbe zitten. Dat heelt nooit, ook al ligt de oorlog reeds vijf jaren achter ons.

Als deze ellendige dingen door je hoofd stormen, dan verlammen je vingers om de vulpen, die niet meer over het papier gestuurd wil worden om over Kerstmis, dat toch een feest van vrede is, te schrijven.

En toch. Het Christus-kind is voor ons allen gestorven.

*

Vanavond moest ik ook aan jou denken. Ik weet niet of je de moed kunt vinden om met je vrouw en tien kinderen om de kribbe te gaan zitten en Kerstliedjes te zingen, nu het Sanhedrin van een bijzondere rechtspleging je veroordeeld heeft tot vier jaar gevangenisstraf met ontzetting van alle rechten voor de duur van het leven vanwege wat beroerde stukjes in bezettingstijd geschreven. (Sanhedrin is de historische benaming van het joodse gerechtshof, LvdG).

Het feit dat het geen normale rechtspleging maar bijzondere rechtspleging was, is geen troost. Ik weet het. Is er uiteraard wel troost te vinden als je de zekerheid hebt, dat de fretten van de repressie – of het nu die P.O.D.-directeur uit Rotterdam is, die zijn medemensen op hun politieke betrouwbaarheid zat uit te vlooien en nu gegrepen is omdat ie omtrent dezelfde tijd een slordige 60.000 gulden achterover gedrukt had, of een P.R.A.-ambtenaar die op een officiële brief van de Kardinaal (waarin deze zegt je in de bezettingstijd altijd als een goed vaderlander gekend te hebben) een paar vuile uitlatingen krabbelt – je nooit met rust zullen laten. (POD= Politieke Opsporingsdienst, was belast met vervolging van NSB-ers en andere politieke delinquenten; PRA staat voor politieke recherche afdeling, LvdG)

Er moet ergens in de wet staan dat je maar één keer voor hetzelfde feit terecht kunt staan. Maar omdat we met bijzonder recht zitten, hebben de lieden die je hebben moesten, het kunstje klaargespeeld om dat drie keer te kunnen doen. Eerst voor de Centrale Eereraad voor de Kunst, toen voor de perszuivering. En de laatste, uitgerekend de allerlaatste zitting van de Utrechtse Kamer van het Bijzonder Gerechtshof van Amsterdam was bestemd om de zo vlijtig vergaarde hennep tot de strop te draaien waarin je hangen moest.

Verslag van een van de zaken tegen Nationaal Front-leider Arnold Meijer en Albert Kuyle,  in De Gelderlander van 15 april 1948.

Die laatste zitting hebben ze niet bewaard om de beroepsmoordenaar Schreieder te berechten, noch voor een der lieden, die zich in de bezettingstijd bezoedeld hebben met het bloed van vele goede vaderlanders. (De SS-er Joseph Schreieder leidde de contraspionage bij de Gestapo in Den Haag. Hij werd in 1948 door een Bijzonder Gerechtshof buiten vervolging gesteld, LvdG). Over dezulken oordeelt een Hof, ook een Bijzonder Hof, met recht en rede, maar in Utrecht is het een zielige aftocht geweest met een vonnis dat meer dan het dubbele was dan de procureur-fiscaal meende te moeten vragen tegen iemand, die altijd op de vuurlijn gevochten heeft en een halve plank vol boeken schreef.

Zelfs je meest felle tegenstanders moeten morgen wel met een geestelijke koliek rondlopen. Ik wil niet goedpraten wat je mis-geschreven hebt, maar het recht is zoek als oud-directeuren van Wilton-Feyenoord, die tonnen aan de Duitsers verdiend hebben, en materiaal lieten maken, waarmede geallieerden vermoord werden, er met een goed jaar en een slordige duit vanaf komen, terwijl een broodschrijver (in de edele zin van het woord) met vier jaar opgeknapt wordt.

In het Parool van vanavond zegt mr. J. le Poole (die het weten kan) dat het begrip ‘politieke delinquent’ verdwijnen moet. Maar ze zijn ze nog volop aan het maken, dunkt mij. Het is maar goed dat ze nog niet alle journalisten ontdekt hebben, die duizendvoudig erger dingen geschreven hebben dan jij, lid van de Kultuurkamer waren, wat jij niet was, en schijnbaar niet zwaar genoeg voor het Bijzonder Hof waren.

*

Het is een merkwaardige Kerstbrief, ik weet het. Maar het moet er uit. Men moet eens leren begrijpen, dat men geen waardige Kerstmis vieren kan in een land, waar de honger naar onredelijke vergelding nog altijd als een geesel rondgaat. Toch hoop ik, dat je vrede en troost zult kunnen vinden in deze dagen. In je prachtig gezin, rond de kribbe.

Ik wil geen preek afsteken. Ze zou slechts ridicuul aandoen tegen de achtergrond van zo veel ellende. Maar er kan geen vrede en geen Kerstmis zijn, zonder liefde en genegenheid. Daarom is het ook zo moeilijk te schrijven over dit feest van de mateloze liefde die ons mensen zo ontbeert. Liefde die als een hefboom werkt.

Ik hoop op de vrede in je hart; ook in die van hen die je veroordeelden. Laten we allen bij de kribbe om gerechtigheid en naastenliefde smeken. Dan pas zal er ware vrede in de harten heersen, omdat we van goede wille waren.

Je L.F.

Louis Kuitenbrouwer, alias Albert Kuyle, behoorde tot de zwaarst gestrafte schrijvers-journalisten na de oorlog. Behalve Louis Frequin nam ook diens vriend en medewerker A. den Doolaard het voor Kuitenbrouwer op. De ‘kerstbrief’ in De Gelderlander verscheen kort nadat Kuitenbrouwer tot vier jaar cel was veroordeeld. In cassatie werd dat een jaar later weer grotendeels ongedaan gemaakt. Kuitenbrouwer, alias Albert Kuyle, alias Van Oldenzael, schreef onder meer de rubriek De Windhoek in het Nederlandsch Dagblad, dat de spreekbuis was van het Nationaal Front.

Geef een reactie